Een lange taxirit brengt me naar het nieuwe busstation van de stad. De chauffeur
is een oude Arabier met eenzelfde soort pet als ik heb, dat schept een band. Hij
spreekt verstaanbaar Turks, wat aangeeft dat het niet zijn moedertaal is. Om
half tien ben ik al op weg naar Iskenderun, Adana, Tarsus (een omweg!) en
Mersin. Daar heb ik binnen een minuut aansluiting naar Silifke. Dat is nog maar
80 km verder, maar de minibus stopt om de haverklap om passagiers uit- en in te
laden. Ergo: pas twee uur later kom ik in het stadje Silifke aan. We rijden
langs de kust met een serie voorstadjes die volgebouwd zijn met gesloten resort
hotels en appartementsgebouwen voor toeristen. De meeste zijn opgeslokt door de
megastad Mersin. Om de 400 meter staat er wel weer een stoplicht op rood. De
jonge bijrijder staat de hele rit in de open deuropening en roept honderden
malen met hoge, krijsende stem: “Silifke! Silifke! “ Ik word er horendol van.
Streek vol archeologische schatten
Daarna volgen olijfgaarden en citrus- en bananenplantages die hier in het
subtropische klimaat goed gedijen. In de verte tekenen de donkere contouren van
het Taurusgebergte met de besneeuwde toppen zich af, als een schemerige wand
rijzen die op uit de kustvlakte. De streek is bezaaid met ruïnesteden van
Hittitische, Griekse, Romeinse en Byzantijnse oorsprong. Ik ontdek langs de weg
restanten van aquaducten, ingestorte Romeinse bruggen, verspreid liggende tombes
en met onkruid begroeide necropolissen. Op 26 km afstand van Silifke ligt
Kizkalesi met een fort (Maiden Castle) 200 meter uit de kust en tegenover een soortgelijke
vesting aan de kust zelf. Op hoge rotsheuvels zijn restanten van forten en
tempels te zien. In de buurt liggen ook de in de oudheid al bekende grotten
Hemel (Cennet) en Hel (Cennem). Af en toe neemt het busje een omweg om kleine
havendorpjes aan te doen om vaste passagiers op te pikken. Ze doen me denken aan
de havenstadjes in Wales, maar dan zonder getijdenwerking.
Hotel op zijn retour
Silifke is een provinciestad met 50.000 inwoners. De stad werd gesticht door
Seleucius, een legeraanvoerder van Alexander de Grote. De stad werd ook
bezocht door de apostel Paulus. Thekla, een van zijn discipelen, stichtte 5 km
ten oosten van de stad een ondergrondse kerk die nu pelgrims trekt.Ik kies voor hotel Aya Thekla
vlak bij de otogar, dat is wel zo handig. Het is op zich een degelijk
tweesterrenhotel, maar het is duidelijk op zijn retour. Op het balkon, dat
uitkijkt op ons geheel omringende woonflats, kan ik ongestoord roken. De kamer
is klein, maar heeft wel minibar en airco. Die laatste wordt me fataal. ’s
Nachts valt hij een keer uit waardoor ik pas na geruime tijd steenkoud wakker
word. Zo heb ik een keelontsteking opgelopen. De badkamer nodigt niet direct uit
tot uitgebreid baden, de verf bladdert er van de muren. Kakkerlakken heb ik
er echter niet kunnen ontdekken.
Bebouwing in de volkswijken
Ik verken de omgeving. Achter de otogar is een armeluismarkt gaande waar
vooral groente, fruit en kleding met schoeisel verhandeld worden. Veel van de
uitgestalde groente- en fruitsoorten kan ik niet thuis brengen. Verderop liggen
de volkswijken waar elke woning een andere indeling en bouwstijl heeft, geen
seriebouw zoals in Nederland gebruikelijk. Sommige bewoners hebben van hun huis
een paleisje gemaakt, andere huizen zijn regelrechte bouwvallen die op instorten
staan. Ik hou wel van die afwisseling. Ik keer terug naar de hoofdstraat om soep
en leverspiesjes te eten. Bij vertrek vergeet ik er mijn rugzak, maar dat heb ik
al gauw in de gaten en mezelf vervloekend haast me terug naar de lokanta.
De ober heeft hem gelukkig al veilig opgeborgen. Op de tv blijk ik een Turkse
pornozender te kunnen ontvangen, dat verwacht je niet in dit vrome, islamitische
land. De films zijn overigens van Amerikaanse makelij. Een onrustige nacht
volgt; voortdurend gonst de schrille roep “Silifke!” van de bijrijder door mijn
hoofd.
XVIII. Dinsdag 24 november SILIFKE - TASUCU - SILIFKE
Dominant kasteel
Geen vlees bij het ontbijtbuffet, maar wel hardgekookte eieren. Ik
wandel naar de rivier de Göksu die dwars door de stad loopt. Het is een
snelstromende rivier die bekendheid heeft gekregen doordat de Duitse keizer
Barbarossa er tijdens de Derde Kruistocht in de twaalfde eeuw (om precies te
zijn: 10 juni 1190) in verdronken is. Langs
de hoge, groene oevers zijn tal van ‘zwevende’ theeterrasjes gebouwd, volgens
mij is het hier ’s zomers aangenaam toeven. Ik zoek de tourist office, die
gesloten blijkt te zijn. Ik maak foto’s met op de voorgrond de rivier met de
oude Romeinse brug (ook een bezienswaardigheid) en het hooggelegen kasteel op de achtergrond. In een woonwijk heeft de
gemeente een kinderspeeltuin omgebouwd tot trimterrein met een groot aantal
moderne fitnesstoestellen. Ik steek de rivier over en loop moeizaam de helling
richting kasteel op. Hier liggen nog eeuwenoude houten huizen in Ottomaanse
bouwstijl met erkers. Een bebrilde, kromgetrokken grijsaard wijst me de weg naar
enkele minder toegankelijke woningen die in betreurenswaardige staat verkeren.
Verscheurende herdershond
Halverwege de heuvel hou ik het vanwege de pijn in mijn knieën en heupen voor
gezien. Er ligt een verzameling boerenhutjes die ik als voorgrond voor een
fotoshot van de citadel wil gebruiken. Geen vuiltje aan de lucht als ik naderbij
kom, ik hou het hondenhok in de gaten maar bespeur daar geen activiteit.
Plotseling schiet er een zwarte schaduw uit het hok en vliegt me aan. Verstijfd
van schrik blijf ik staan, door angst niet in staat me te bewegen. Een enorme,
zwarte
herdershond stuift op me af. Gelukkig zit hij aan een ketting vast waardoor hij
op 2 meter afstand van mij wordt geremd. Met ontblote tanden, grommend en
schuimbekkend probeert hij zich los te rukken. Ik kom weer bij mijn positieven,
keer me om en ren er in paniek vandoor. Voor dit soort honden ben ik toch al
bang, maar op de loop gaan doe ik eigenlijk nooit. Dat lijkt me onverstandig,
want honden richten zich instinctief op bewegende doelen, respectievelijk
prooien. Doorgaans blijf ik in dit soort situaties dan ook tamelijk koelbloedig
en kies ik welbewust voor een strategisch aftocht. Na vijftig meter draai ik me
om. Het dier wil me zo te zien nog steeds aan stukken scheuren, maar de strakke
lijn belet dat. Als ik weer
een stukje verder loop komt hij tot bedaren. Ik heb blijkbaar zijn territorium
verlaten.
Kasteel van Silifke
Houten erkers
Cisterne aan de voet van fort
Even verderop stuit ik onverwacht op een bijzonder goed bewaard gebleven
cisterne. Er groeit nu onkruid in, maar ooit moest dit voorraadbekken de
verdedigers van het fort in leven houden. Ik vraag me af hoe ze er het water in
kregen, want ik zie geen toevoerkanalen of leidingen. Ernaast ligt een
wenteltrap die naar de bodem voert. Ik loop de heuvel aan de andere kant af op
zoek naar de mezarlik, een antieke necropolis die op de kaart van de LP
Survival Kit staat aangegeven. Ik kan die echter niet vinden en keer terug naar
de stad. Onderweg maak ik een praatje met een stel plattelanders die schapen aan
het uitladen zijn. Wat moet zo’n schaap nu opbrengen, vraag ik de jongste boer.
Achthonderd lira (€ 350), een groot lam komt op zo’n 500 lira (€ 230). De eerste
thee van de dag gebruik ik in een kiraathane, een speelhol voor werkloze
en gepensioneerde mannen. Ze keuren me er geen blik waardig, zo geconcentreerd
gaan ze op in hun spel.
Het havenplaatsje Taşucu
Bij de rivier neem ik plaats op een terras voor een tweede glaasje thee als ik
ineens een dolmusj naar de havenplaats Taşucu zie stoppen. Ik neem een
spontaan besluit en stap in. Een kwartiertje later en 8 kilometer verder bevind
ik me aan zee. Taşucu is de haven die het dichtst bij Noord-Cyprus is gelegen,
een paar keer per dag vertrekt er een veerboot naar het Turkstalige gedeelte van
het eiland. Ik heb even overwogen een bliksembezoek aan Cyprus te brengen, maar
de rompslomp ter verkrijging van een visum stond me tegen. Ik maak veel foto’s
in het plaatsje, het is heerlijk zonnig. Op een terras aan zee bestel ik brood
met een vers gebakken zeevis die gelukkig helemaal graatloos is. Naast me zitten
Amerikaanse toeristen die van Turkse afkomst zijn. Ze zijn daar in Amerika zo te
zien goed
geïntegreerd, want ze zijn allemaal moddervet. Daarna keer ik terug naar
Silifke.
Weinig opzienbarend museum
Ik laat me bij het Archeologisch Museum aan de stadsrand afzetten. Er is een
bewaker die zijn hok niet verlaat en alleen mijn kimlik (Turks
legitimatiebewijs) wenst te zien. Die heb ik uiteraard niet, zodat hij zich
tevreden moet stellen met het noteren van mijn naam. Ik ben de enige bezoeker
van het museum, waarvan er in Turkije dertien in een dozijn gaan. In een half
uurtje tijd heb ik alle archeologische schatten wel gezien. Het museum is trots
op de Gülnürschat, een verzameling van meer dan 5.000 gouden en zilveren munten
uit de laatste eeuwen voor Christus. Ik heb niet zo veel met munten en bekijk de
collectie dan ook maar vluchtig. Een speciale vitrine
met vooral foto’s is gereserveerd voor de broederstad Hassbach, een dorp uit
Beieren (?). Ach, ze hebben hun best gedaan, maar daar is dan ook alles mee
gezegd.
Resten van een Jupiter - tempel
Als ik weer in de stad ben liggen de ruïnes van de Romeinse Jupiter - tempel op
slechts een steenworp afstand. Slechts één zuil staat er nog overeind, bovenop
heeft een ooievaarpaartje een nest gebouwd. Enorme steenblokken liggen schots en
scheef op het terrein verspreid. Kindertjes spelen er verstoppertje. En katten,
die lopen er in alle maten en uitvoeringen rond. Ook bekijk ik nog even het
Atatürk huis, een negentiende-eeuwse villa die streng bewaakt wordt en nu een
soort museum is. De grote man zou er ooit eens overnacht hebben. Elke Turkse
stad die zichzelf respecteert heeft zo’n Atatürk Evi, ik betwijfel of die
semidictator daar inderdaad wel eens geslapen heeft. Net voor het duister
invalt, ben ik terug in mijn hotel. Tijdens een korte avondwandeling eet ik
ergens soep (mercimek çorbasi = linzensoep) en reserveer ik bij de
otogar voor de volgende dag alvast een plaatsje in de bus naar Anamur.
Even later word ik op straat aangesproken door
een leeftijdgenoot. Hij spreekt zowaar Engels en nodigt mij voor de
thee uit. Hij stelt zich netjes voor als Mehmet Karacioglu. Na 25
jaar bij de overheid als planoloog gewerkt te hebben, is hij voor
zichzelf begonnen. Hij runt nu een adviesbureau voor ruimtelijke
ordening samen met zijn zoon. Ooit heeft hij op de universiteit
Engels geleerd. Later heeft hij ook lesgegeven aan ambtenaren en als
invaller op een middelbare school. Dat zegt wel veel over het niveau
van het Turkse onderwijs, want de goeie man kan geen enkele zin
grammaticaal tot een goed einde brengen. Ook zijn uitspraak laat
nogal te wensen over, maar ik moet toegeven dat hij behoorlijk veel
moeilijke en wetenschappelijke woorden kent. Hoe dan ook, we voeren
een aangenaam gesprek over taalonderwijs en later over koetjes en
kalfjes. Ik heb de indruk dat hij mijn reislust en talenkennis
bewondert.