De chauffeur is een sympathieke dertiger met
een bril, wat in dit land vaak duidt op een hogere opleiding. En ja
hoor, hij spreekt een beetje Duits en Engels, wat hij
respectievelijk in Frankfurt (langdurige vakantie bij familie) en Londen (studie) opgepikt
heeft. Hij stelt zich voor als Emrah en bekent al gauw een aleviet
te zijn, een religieuze minderheid die in Turkije wel eens vervolgd
wordt. Zijn vrouw is voor het eerst zwanger. Het maakt hem niet uit
of het een zoontje of dochtertje wordt. Ook wil hij het bij twee
kinderen laten, niet zoals bij die moslims het ene na het andere
fokken (zijn woorden). "Dat zijn net dieren", zo stelt hij; een opmerkelijke
uitspraak voor een Turk.
X. Maandag 16 november GAZIANTEP - ŞANLI URFA
Het ontbijt wordt voor mij alleen in de lobby geserveerd. Om acht uur hangen al
alle kamersleutels aan het sleutelbord, waaruit ik concludeer dat er verder
geen gasten in dit hotel met 40 kamers zijn. Inderdaad, hier is echt sprake van
laagseizoen. Een uur later heeft iemand van de receptiebezetting (drie man voor
een leeg hotel) een taxi voor me geregeld.
Weinig aantrekkelijk landschap
Ik reis vandaag met de busonderneming Tatlıses (= Zoete stem, ook een populaire
zanger). De bus vertrekt met vertraging, wat in Turkije niet vaak voorkomt,
althans dat is mijn ervaring. Het blijft de hele dag zwaar bewolkt en
regenachtig. Men vermijdt er de autosnelweg, daar moet je per slot van rekening
tol betalen. De gewone provinciale weg voert ons door
een dorre en weinig aantrekkelijk landschap. De streek is weer eens heuvelachtig
met hier en daar een olijfboomgaard.
In Şanli Urfa aangekomen regent het. Ik ga
onmiddellijk schuilen bij een lokanta, waar ik en passant een
portie köfte bestel. De jongste bediende Mustafa vraagt me
wat in Holanda mijn favoriete voetbalclub is. Ik kies voor
PSV in de veronderstelling dat hij die ploeg niet kent. Maar dat heb
ik mis: hij doet me verstomd staan door alle 18 Nederlandse
eredivisieploegen achter elkaar op te noemen, inclusief hun
thuisbasis, zoals Ajax Amsterdam, Feijenoord Rotterdam etc. Alleen
schort er nog iets aan de uitspraak, die doet hij soms op zijn
Turks. Utrecht wordt dus Oetregt, VVV wordt Wè Wè Wè Wenlo.
Ik daag
hem uit door Arsenal en Chelsea te roepen. Hij neemt de handschoen
op en ratelt feilloos alle ploegen van de Engelse Premier League op.
Wow! Ook de Duitse Bundesliga teams vormen voor hem geen probleem.
Ik vermoed dat hij op de Imam Hatip - school gezeten heeft, waar ze
geheugentraining krijgen om de hele koran van buiten te leren.
Degene die dit lukt wordt hafiz genoemd, een eretitel in
feite. Als ik hem met de Spaanse Primera División wil testen heb ik
mijn köfte op, is het buiten droog en wordt Mustafa door zijn
ruigbehaarde baas weggeroepen. Tijd om een taxi te versieren.
Mot met de taximaffia Dat lukt, maar de onsympathieke, snauwerige chauffeur weigert de meter te
gebruiken en eist 10 lira voor het korte ritje naar het centrum. Ik laat hem
stoppen en stap uit. Alle andere chauffeurs bij de otogar vragen echter
hetzelfde tarief; niemand wil de meter gebruiken. Het is je reinste taximaffia,
het lijkt hier wel Amsterdam. Later vertelt men me dat het vooral de Arabische
chauffeurs zijn die graag met toeristen willen onderhandelen om hun een poot uit
te kunnen trekken. In Mardin en Antakya, waar ook veel etnische Arabieren wonen,
zal ik dezelfde ervaring hebben. Ik ben het gesteggel moe en loop weg. Buiten de otogar hou ik een taxi aan die
slechts 6 lira rekent, maar ook hij laat de meter niet lopen. (Erg consequent
ben ik dus ook al niet.) Ik heb geen hotel uitgekozen, maar hij brengt me naar
het goedkope budget Ipek Palas Hotel (= Zijdepaleis Hotel) in een zijstraatje
van de hoofdstraat. Het is een van de slechtste kamers van mijn reis, dat merk
je al direct aan de staat van de badkamer. Maar goed, de kamer is schoon en
heeft een balkon vol peuken dat op de achtergevel van een privékliniek uitkijkt.
Wat wil je nog meer voor een luttele achttien euro? En het hotel ligt ideaal
midden in het centrum.
Inwoners (2004) 390.000
Şanlıurfa of Urfa (ook los geschreven als Şanlı Urfa, Turks: şanlı =
"glorierijk", Koerdisch: Riha) is een stad in Zuidoost-Turkije. Vroeger heette de stad Edessa.
Ze ligt op een vruchtbare vlakte, aan drie kanten omringd door bergen. Ze vormt
de hoofdplaats van de provincie Şanlıurfa, met een bevolking van ongeveer
anderhalf miljoen mensen 2004). Het dialect dat er gesproken wordt, wordt ook
Urfa genoemd.
De stad is via grote verkeerswegen verbonden met Gaziantep 150 km naar het
westen, met Mardin 250 km naar het oosten, met Diyarbakır 250 km naar het
noorden en met Syrië 75 km naar het zuiden. De economie berust vooral op de
landbouw en de veeteelt van de omringende regio; de voornaamste exportproducten
zijn boter en katoen.
Algemeen
De voornaamste bezienswaardigheid van Urfa is zijn oude citadel, gelegen op een
van de heuvels boven de stad. Daarnaast zijn ook delen van de oude stadsmuren
bewaard, naast fragmenten van de waterbeheersingswerken die hier in de 6e eeuw
werden opgetrokken. Islamitische monumenten zijn de 17e-eeuwse medresse en de
moskee van Abd ar-Rahman. Urfa's eeuwenoud belang ligt bij zijn strategische
positie op de pas die de handelsweg tussen Anatolië (Centraal-Turkije) en
Noord - Mesopotamië (Noord-Irak) beheerst.
Geschiedenis
De plaats is al sinds duizenden jaren bewoond; ze werd voor het eerst in het
Aramees opgetekend als Urhai. In de plaatselijke overlevering wordt de stad in
verband gebracht met aartsvader Abraham. Dat komt doordat zich in de buurt van
Balikli Göl een grot bevindt waarvan men aanneemt dat hij daar zou zijn geboren.
Moslims geloven dat Abraham een profeet was.
In de 3e eeuw v. Chr. verovert Alexander de Grote de stad en sticht er een
militaire nederzetting en vernoemt haar naar Edessa, de hoofdstad van zijn
vaderland Macedonië. In 150 wordt hier het christendom geïntroduceerd en hier
zou een van de belangrijkste bisschopszetels van Syrië ontstaan.
In de 3e eeuw ontstond hier het koninkrijkje Osrhoene. Toen Abgar zich in de 3e
eeuw als eerste christelijke koning van Edessa liet dopen en veel inwoners van
het land zijn voorbeeld volgden, verrezen overal kerken en kloosters, en kon
Edessa zich zo reeds vroeg ontwikkelen tot een centrum van godgeleerdheid. Een
belangrijke stimulans werd gevormd door de Syrische christenen, met hun beroemde
theologische school en zijn vele vermaarde leraren, waaronder Efrem de Syriër.
Algemeen wordt aangenomen dat de oudste christenen van Edessa de nazaten waren
van de oergemeente te Jeruzalem. Sommigen van hen zullen zeker contact gehad
hebben met mensen die Jezus nog gekend hebben. Edessa wordt wel eens de stad van
de apostel Thomas genoemd. Volgens de overlevering zou Thomas opdracht gegeven
hebben om aan de Edessenen het evangelie te verkondigen.
In de 7e eeuw viel de stad in handen van het Arabische Rijk maar in 1030-1031
werd Edessa heroverd door de Byzantijnen onder leiding van generaal Georgios
Maniakes en zou Byzantijns blijven tot 1086-1087.
In 1098 wordt de stad heringenomen door de kruisvaarders in de Eerste
Kruistocht. In 1147 werden deze verdreven door de Turkse Seltsjoeken. Daarna
zouden de verschillende heersers komen en gaan. In 1637 lijfden de Ottomanen de
stad bij hun rijk in en kreeg de stad haar huidige naam.
In 1830 komt de stad korte tijd onder de controle van de Egyptische onderkoning
Mohammed Ali Pasja. Een vervolging van de Arameestalige christenen in 1916
zorgde ervoor dat de christelijke bevolking van Urfa nu zo goed als verdwenen
is.
Musea op maandag gesloten
Ik bedenk me niet lang en ga op onderzoek uit. Ondanks mijn open linkerhiel die
mijn nieuwe schoenen me bezorgd hebben, ben ik dik twee uur onderweg. Het is
ongelofelijk druk op straat. Urfa is inderdaad een miljoenenstad die uit haar
voegen gegroeid is. Moeizaam loop ik bergopwaarts, voorbij het lokale Museum
(dat net als overal in Europa op maandag gesloten is) en kom in een straat
tegenover het ziekenhuis terecht. Daar liggen tientallen apotheken elkaar te
beconcurreren. In twee ervan koop ik voor een kennis zonder recept het medicijn P., dat in Nederland alleen op recept verkrijgbaar is en behoorlijk prijzig
is. Hier kost het vijftien euro voor een verpakking van 28 stuks.
In een van de apotheken is het middel
uitverkocht, maar het wordt telefonisch bij het depot van het
hospitaal bijbesteld. Als ik een kwartier wil wachten dan kan ik het
zo meenemen. Ik neem op een krukje plaats bij de apotheker die naast
de kassa zetelt onder zijn diploma’s van de Egri Universiteit van
Izmir. Hij spreekt echter alleen Turks, maar doet dit om mij te
plezieren langzaam en duidelijk. Hij is eigenaar van de zaak en
wordt door zijn personeel eerbiedig met Hakan Bey aangesproken. Met
zijn bril, zijn kalende schedel en zijn verzorgde kleding ziet hij
er uit als een hogere ambtenaar.
We voeren een aangenaam gesprek
over het slechte weer en wederzijdse families; ik verzin ter plekke
weer vijf zonen en een vrouw die ik thuis laat werken, terwijl ik
prinsheerlijk vakantie vier. Hij ruikt onraad en vindt dat wel erg
veel kids voor een ontwikkelde westerling met een goede baan. Ter plekke
verzin ik er een scheiding bij. Hij zelf heeft twee opgroeiende kinderen. Af
en toe wordt ons onderhoud onderbroken door telefoontjes, het uitprinten
van rekeningen en het geven van orders aan zijn personeel. Als ik hem van mijn
reissite op internet vertel is hij vol belangstelling. Al snel heeft
hij mijn site met de reisverhalen en foto's van Turkije gevonden. Hij herkent
alle plekken: de Vallei van Göreme, de Mevlana in Konya, Pamukkale
in Denizli, de berg Ararat, het Topkapi Paleis in Istanbul, etc.
Hartelijk nemen we van elkaar afscheid.
Islamitische begraafplaatsen
Ik steek de bijna droogstaande rivier over en kom terecht in de goed bijgehouden
begraafplaatsen van de stad. Ze liggen op heuvels en eindigen op de top in een
armoedige buurt; de graven staan er nog gewoon tussen de huizen. Heeft dit
wijkje de dodenakker opgeslokt of is het andersom geweest? De vrouwen lopen er
in ieder geval in zwarte chadors. Ik kan alleen hun grote neuzen en
neergeslagen ogen zien, het lijkt Iran wel hier. Het valt me ook op dat de
meeste van die
vrouwen gezet of gewoon moddervet zijn, waardoor ze zich waggelend als een eend
voortbewegen. Ik bereik een hoofdverkeersweg die ik terug naar het centrum volg.
De geboorteplaats van Abraham
De weg komt tot mijn verrassing (ik heb weer eens geen betrouwbare kaart van de
stad) uit bij de hoofdattractie van de stad: de heilige Vijver van Abraham, de Balıklı Gölü (lett. Vijver met vissen) .
Eigenlijk ligt hier bij Gölbaşı het hoogtepunt van heel Zuidoost - Turkije. Boven de grot waar
Abraham geboren zou zijn is een kerk, resp. moskee gebouwd. Er liggen meer
monumentale moskeeën, onder andere rond de vijvers die krioelen van de
weldoorvoede karpers. Ik vraag me af of er nog wel plaats voor water is in de
vijver. Mijn voeten voelen branderig aan en schreeuwen om rust, die vind ik op
een theeterras. De ober is verbaasd een pelgrim uit Europa te bedienen. Ja, hier
zijn geen toeristen, maar pelgrims, zowel van het islamitisch, joods of
christelijk geloof, want Abraham wordt door deze drie ‘religies van het boek’
als aartsvader beschouwd. Boven de heiligdommen torent dreigend de kale rots met
de ruïnes van een fort uit. Het begint te schemeren, dus wandel ik in geforceerd
tempo terug naar het moderne centrum. Onderweg beland ik nog in de oosterse
overdekte bazaar. Ik besluit dit gedeelte van de stad een andere keer te
verkennen. Op straat is het hoofddoekjesgehalte drastisch gestegen, hier en daar
duikt zelfs een hijab of grijze chador op, maar een zwarte burka met vliegengaas voor
de ogen ben ik tot nu toe nog niet tegengekomen.
Na soep met brood (dit is mijn standaard
avondmaaltijd geworden) stap ik bij het fel verlichte reisbureautje
van Özcan Aslan binnen. Die vermeldt trots op de deur dat hij in de
Travel Survival Kit van LP wordt vermeld. Özcan zelf is een
gesoigneerde veertiger die goed Engels spreekt. Logisch, van
professie is hij leraar Engels op een middelbare school. Hij
organiseert dagtochten voor vreemdelingen, onder andere naar het
Bijbelse Harran en de berg Nemrut Daği (waar ik al eens met Robbert
v.d.B. ben geweest om de dageraad te bewonderen).
De nogal arrogant
overkomende man wil me voor “slechts 60 euro” een privétaxi naar
het oeroude dorp Harran aansmeren, maar die weiger ik resoluut. Voor dat bedrag huur
je hier een complete bus voor een hele dag. Hij heeft onlangs een
eigen hotel in een omgebouwd stadspaleis geopend en ziet me graag
daar als betalend gast. Ik vind hem maar een zelfingenomen kwast en
ga op geen enkel van zijn voorstellen in, hoewel hij hinderlijk
blijft aandringen. Ineens verschijnt er ook nog een Engelssprekende
tapijthandelaar ten tonele, voor mij een teken om zo rap mogelijk
op te stappen.
Nogmaals de heilige Durgah met zijn karpervijvers Ik stap uit in een zuidelijke volkswijk vol ijverige neringdoenden en
ambachtslieden en loop naar de Durgah, het moskeeëncomplex rond de heilige
vijvers. Daar geniet ik van Turkse koffie en salep in de hoger gelegen,
betere theehuizen zonder door opdringerige jochies lastig te worden gevallen. Ik
geniet er van de rust en het uitzicht op de groepen pelgrims beneden me. Bij de
vijver stopt een grijsaard me een handvol visvoer toe, waarmee ik de gretige
karpers een plezier doe. Ze zijn heel gulzig en lijken op de piranha’s die ik
ooit in een James Bond - film een (menselijke) prooi zag verslinden. Het voer heeft iets weg
van de konijnenkorrels die ik in mijn jeugd elke woensdagmiddag voor mijn vader
bij de boerenbond moest halen. Ik loop alle moskeeën en medresses langs,
wandel door de binnenhoven, maar ga nergens naar binnen. Ik zie af van een
inspannende klim naar het kasteel. Behalve het uitzicht is daar trouwens weinig
te zien. Op de terugweg naar het hotel bezoek ik nog de overdekte markt, enkele
karavaanserails die tot hotel zijn omgebouwd. Na een schotel Iskender
kebabi met frites (!) leg ik me in het hotel te ruste.
Soep eet ik die avond in een modern restaurant,
waar ik word bediend door een prima Engels sprekende, onberispelijk
geklede kelner. Hij blijkt de eigenaar van de tent te zijn. Hij
heeft in Londen Engels geleerd, waar hij een drietal jaren
gestudeerd heeft. Ik kom er niet achter wat. Verder spreekt hij ook
Fins, na enkele jaren oberen in een hotel in Helsinki. Hij heeft
zuinig geleefd en is tegen zijn veertigste teruggekeerd naar zijn
geboorteplaats om van zijn spaargeld een restaurant te openen. Toen
is hij ook pas getrouwd.
Mehmet Bey heeft er de wind onder bij zijn
personeel, maar hij is niet onvriendelijk, noch heeft hij
dictatoriale trekjes zoals zo veel Turkse (en oosterse) patrons.
Hij beschouwt me als een speciale gast die zijn persoonlijke
aandacht verdient. Dat kan ik wel waarderen. Na het eten biedt hij
me gratis Turkse koffie aan.
Schuin tegenover mijn hotel blijkt die avond ook nog de kiosk
open waar het plaatselijke VVV -kantoor gehuisvest is. De meeste
kantoren van tourist information in Turkije zijn in het
laagseizoen gewoon gesloten, hoewel dat niet het officiële beleid
is. Als ik binnenkom springt de
dienstdoende employee verheugd op. Hij is blij eindelijk eens zijn
Engels in de praktijk te kunnen brengen. Dat hij Engels gestudeerd
heeft en die taal ook enigszins beheerst, zag ik al aan de titel van
het boek dat hij aan het lezen was: een thriller van Frederic
Forsythe.
Ik breng duidelijk wat afwisseling in zijn doodsaaie
bestaan, zo vertelt hij me. De laatste buitenlandse toerist heeft
hij drie weken geleden bediend. En die sprak niet eens Engels, het
was een Fransman! Deze Yusuf, eigenlijk een naamgenoot van mij (met
deze naam stel ik mezelf ook vaker voor),
klaagt steen en been over de omgeving waarin hij leeft. Hij vindt Urfa maar een doods, achtergebleven gat met aartsconservatieve
opvattingen. Dat blijkt wel uit zijn contacten met meisjes en
vrouwen. Al na enkele maanden willen die trouwen zonder dat hij ook
maar iets aan erotische ervaringen heeft gehad. Daarom is
hij nog niet gehuwd, ook al is hij de dertig al gepasseerd. Hij
overlaadt me met informatiemateriaal: folders, brochures en zelfs
een dvd, die ik overigens thuis onmogelijk kan afspelen.