Een Koerdische taxichauffeur brengt me naar het autobusstation.
Mijn volgende halteplaats is Mardin, dat 250 km verderop gelegen is.
De rit voert door een agrarisch landschap, bevloeid door de wateren
van de omstreden Atatürk - dam, samen met nog een twaalftal andere
dammen het zogena GAP - project
uitmakend. We steken de Firat (ofwel de rivier de Eufraat) over en via het plaatsje Kiziltepe (een dorp met
veel flatgebouwen) bereiken we even na twaalven Mardin. Ik
word gewoon langs de weg afgezet en sta ietwat verloren in nieuw - Mardin, dat
twee kilometer van de oude stad verwijderd ligt. Ik word er nog net niet overreden door
een kamiyon (vrachtwagen) die geen richting aangeeft, voetgangers zijn hier soms vogelvrij. Na een tijdje wachten kan ik met een
dolmusj meerijden. Ik stap in de oude stad te vroeg uit, zodat ik nog eens een
kilometer in de nauwe hoofdstraat zonder stoep met de bagage moet rondsjouwen om
mijn hotel te bereiken. Dit is de enige berijdbare straat in het stadje, hij heet
dan ook Birinci Sokak (= Eerste Straat) en is in het begin van de 20e eeuw door
Duitsers gebouwd. Die waren hier toch al bezig met het aanleggen van een
strategische spoorweg naar Iran en Bagdad, dus dit konden ze even
meepikken.
Ik rust even uit in een restaurant van een gerestaureerde kervanserail, maak een praatje met de
jonge ober die verontwaardigd reageert als ik wil afrekenen. Daar komt niets van in,
ik ben immers zijn gast!
Authentiek Ottomaans stadspaleisje als hotel
Mijn viersterrenhotel Edoba Konaklari is een aangename verrassing. Aan de
receptie zitten twee beeldschone jongedames die ook nog eens wat Duits en Engels
spreken. Ik kan er voor twee nachten terecht in dit authentieke Ottomaanse
herenhuis met binnenplaats en terras waar je over de hele vlakte van Mesopotamië
kunt uitkijken. Mijn kamer is zo groot als een zaal en meet 7 bij 14 meter, het
bed is van het king size model, het plafond bestaat uit twee kruis-booggewelven
op 7 meter hoogte, in de alkoven en nissen staan antieke kandelaars. De enige
dissonant wordt gevormd door een moderne badkamer (meer een uit de kluiten
gewassen douchecabine) die in een hoek is ingebouwd; hoewel die alle comfort
biedt past die absoluut niet in deze historische ambiance. Ook het kinderbedje
in een andere hoek vind ik hier minder passend. In de kelder bevindt zich een
specialiteitenrestaurant, daar wordt ook het uitgebreide ontbijt geserveerd. De
prijs voor dit al dit moois: zegge en schrijve 36 euro…
Sabanci Mardin Sanat Muse: de moeite waard
Ik geniet niet al te lang van al dit fraais en trek de stad in. De rijke
industrieel Sabanci wil zich ook als mecenas niet laten kennen en heeft er in
een historisch pand het gloednieuw Mardin Sanat Museum laten bouwen. Het is zo
nieuw dat het nog niet in de reisgidsen beschreven staat. De entree is gratis,
de receptioniste drukt me op het hart vooral mijn fototoestel mee naar binnen te
nemen. De suppoosten gaan onberispelijk en smaakvol gekleed en springen in de
houding als ik de zaal inloop. De bovenste verdieping van deze
voormalige bedestan gunt me een kijkje in de etnologie van de streek, de
onderste is in gebruik als expositieruimte van moderne Turkse kunstenaars. Om
kort te gaan: alleen al door de sfeer is dit museum de moeite van het bezoeken
waard. Na dit interessante bezoek daal ik de heuvel af en kom voorbij enkele
bezienswaardigheden, zoals het Artuklu Hotel
Onaangename verrassing in de tourist information office
Tot het duister invalt wandel ik door de nauwe straatjes met zijn massieve
huizenbouw. Het is er behoorlijk steil. Af en toe heb ik een doorkijkje naar de
top van de berg waar de ruïnes van het kasteel liggen. Die zijn overigens niet
toegankelijk, want dat is militair terrein: er is een uitkijkpost en
radiostation van het Turkse leger gevestigd. Het weldadig aandoend zonnetje
zorgt voor 20 graden tot ze achter de wolken verdwijnt en het plotseling kil
tussen de dicht op elkaar gebouwde woningen wordt. Ik ontdek een soort VVV -
kantoortje waar ik nauwelijks aandacht krijg van een gehoofddoekte jongedame
die aan het MSN’en is. Ze stopt me ongeïnteresseerd wat foldertjes toe en richt
haar aandacht weer op het scherm. Er is gratis internet, daar maak ik
onmiddellijk gebruik van door te mailen. Als ik het pand wil verlaten word ik
door een vrijpostige, Arabisch uitziende man een warme kamer vol theeslurpende
mannen ingesleurd. Hij spreekt twee woorden Frans en wil dat ik die werklozen
even vermaak door mijn levensverhaal te vertellen. Ik ben echter niet gediend
van zijn manier van aanpak, letterlijk ook, want hij trekt me met geweld aan
mijn armen naar binnen. In het Turks vertel ik de zwijgend toekijkende mannen
dat de blaaskaak hééél slecht Frans spreekt en loop zonder te groeten weer de
straat op.
Divers avondvertier
Als ik die avond om zeven uur naar buiten stap om ergens mijn soepje te gaan
eten blijken alle lokanta’s al te zijn gesloten. Bij een banketbakker koop ik
wat broodjes die ik op mijn kamer met de eerder ingeslagen knoflookworst en kaas
opeet. Buiten geniet ik met een sigaretje van het uitzicht op de door de maan
beschenen Mesopotamische vlakte. Veel van de historische bouwwerken zijn ge'"illumineerd,
onder andere het PTT-gebouw, vroeger een paleis van de familie Sahtane, gebouwd
in 1890. Op mijn kamer ondervind ik problemen met mijn satelliet-tv. Ik heb er drie afstandbedieningen bij gekregen en kom er maar niet
achter welke ik nu moet gebruiken. Iemand van het keukenpersoneel komt me
helpen. Volgens mij vindt hij me maar een domme, onwetende westerling die nog
niets eens in staat is een televisie aan te zetten.
Enfin, de helft van de te ontvangen zenders zijn Arabischtalig, daar koop ik dus
toch al niet veel voor. Natuurlijk is er ook pay - tv, maar daar blijf ik wijselijk van
af. Ik ben van mening dat een viersterrenhotel waar ook ter wereld haar gasten
een gevarieerd aanbod aan buitenlandse zenders moet kunnen bieden.
Ik raak op het avondlijke terras in gesprek met een zekere Noach, het hoofd van de
kelners. Eigenlijk heet hij Nuh op zijn Turks, maar aan toeristen
stelt hij zich voor als Noach. Hij spreekt zowel Duits, Russisch als Engels
en nog goed ook. Wat dat Russisch betreft ben ik jaloers op hem. Tijdens
zijn opleiding in toeristisch management heeft hij een scriptie geschreven over de voorkeur
van Nederlanders voor mayonaise bij de frites. Hij bracht dit in
verband met ons nationale product, melk. Ikzelf zie die relatie nu niet
direct zitten. In het zomerseizoen voert hij het bevel over een
brigade kelners aan de privéstranden van de vijfsterrenhotels in Alanya. Hij is het die me vertelt dat de Turkstalige en Koerdische
bewoners van het zuidoosten de daar wonende Arabieren wel kunnen
schieten, hoewel ze nog niet letterlijk tot die daad zijn overgegaan. Het is voor het eerst dat ik hoor dat hier onderhuids ook
andere etnische spanningen heersen dan alleen die van de Turken met de Koerden.
De bankwereld in Turkije is, in tegenstelling tot Nederland, heel
gevarieerd. In de steden staan tientallen pinautomaten, vaak gewoon naast elkaar. Echte
Turkse banken zijn: Iş Bankasi (Arbeids Bank), Akbank, Ziraat Bankasi
(Boerenleenbank), Garanti Bankasi (Hypotheekbank), Deniz Bankasi, Halk Bankasi
(Volksbank), Finans Bankasi (Ondernemersbank), Ticaret Bankasi (Handelsbank),
Yapı ve Kredi Bankasi (Kredietbank). Als enige buitenlandse bank valt me ING-
Bank op. De Turkse banksector heeft de mondiale financiële malaise relatief
ongeschonden doorstaan; geen enkele bank is er failliet gegaan.
.
FOTOCOLLAGE ARTUKLU KERVANSARAYI HOTEL
Aan de rand van de vlakte Eindelijk weer eens een echt ontbijtbuffet met omelet, warme worstjes en
redelijke koffie. Om half tien start ik voor een lange wandeling. In een
omtrekkende beweging bekijk ik de stad zowel van beneden als van boven.
Regelmatig rust ik uit met een glaasje thee. Ik loop eerst de Yeni Yol (= Nieuwe
Weg) af, de
weg die onder langs de stad doorloopt. Links strekt de vlakte zich uit, rechts
van me schieten de muren van de compacte stad hoog op. Onderweg bekijk ik nog
het Butik Hotel, het Artuklu Kervansarayi (100 lira / € 50 per nacht, bekijk de
homepage van dit schitterende hotel: artuklu.kervansarayi ) en enkele moskeetjes, waarvan een er één
'n bijzonder fraaie minaret heeft. Herstel, het is een medresse bij nader
inzien, de Sehidiye Medresesi. Nou ja, de Abdullatif Camii ligt er pal naast,
daar hoort de minaret natuurlijk bij. . De Bab-es-Sur Camii is wat groter en
maakt een robuuste indruk. Vlakbij ligt een oude bron, het fonteintje heet
Bab-es-Sur Cesmesi. Op een heuvel ligt een begraafplaats met een
mausoleum, van daaruit maak ik veel foto’s van de stad. In het afgrijselijk
lelijke viersterrenhotel Büyük Mardin, een vierkante blok van tien verdiepingen,
bestel ik koffie. Dat wordt Nescafé met een sloot melk waarvan ik gruw. Ik breng
boos de koffie terug en eis op hoge toon échte koffie, die ze natuurlijk niet
hebben. Ik stel me uiteindelijk tevreden met een minikopje Turkse koffie met
veel drab. Het hotel is gespecialiseerd in georganiseerde bustoeristen, maar die
zijn er niet. Ik krijg steeds meer te maken met fysiek ongemak: open hiel,
gezwollen knie, onwillige linkerheup. Vooral bij het beklimmen van trappen en
bestijgen van hellingen treden die op. Desondanks zet ik door, alleen rust ik
wat vaker uit.
Zwerven door stegen en sloppen
In de bovenstad waar ik allengs beland is het een stuk armoediger. Tussen de
dichte bebouwing liggen nog wat Armeense en orthodoxe kerken (de Meryem Ana
Kilisesi uit 1895 en de Mor Yusuf Kilisesi), maar die zijn niet
toegankelijk. Een enorm complex van een voormalige karavaanserail blijkt tot
voor kort als gevangenis te hebben gefungeerd. De huizen hebben blinde muren,
vaak met afbrokkelende kalk. Soms staan de poorten open en kan ik een blik naar
binnen werpen. Op de binnenplaatsen lijkt het gezellig; er is schaduw en soms
ligt er een put. Vrouwen hangen er hun was op. Kindertjes spelen in het stof.
Het maakt allemaal een bijzonder authentieke indruk. Na wat willekeurig zwerven
door stegen en sloppen kom ik uit op de Meydan, waar ik het Archeologisch en
Etnologisch Museum bezoek. Dat is gehuisvest in een vroeger paleis van een orthodoxe
bisschop, een bijzonder gebouw van historische waarde, ernaast ligt een Armeense
of Syrisch-orthodoxe kerk. de Mar Behnam Kilisesi die zowaar uit 569 dateert. Zonder entree te betalen word ik bij de ingang doorgewuifd. De collectie
is niet bijster interessant, maar het gebouw zelf heeft zeker charme.
Als ik het museum verlaat word ik aangesproken
door een jonge vrouw. Ze heet Emine en spreekt een beetje aarzelend
Engels. Ze draagt geen hoofddoek (opvallend in deze uithoek), maar
is wel nogal ouderwets gekleed. Er ontspint zich een gesprek in
zowel gebroken Turks (van mijn zijde) als gebroken Engels (van haar
kant). Ze studeert antropologie aan de universiteit van Silvan
(heeft dat plaatsje echt een uni?) en loopt bij het museum stage. Zij is
van gemengde afkomst: opa was Armeniër, haar moeder is
Syrisch-orthodox, maar zij zelf is moslim. Ze heeft voor de islam gekozen,
omdat moslim-zijn in deze contreien gemakkelijker is; christenen werd
het (en wordt het nog steeds volgens bepaalde persberichten, ondanks
het strengere toezicht en de eisen van de EU) hoe langer hoe lastiger gemaakt.
Maar dan
komt de aap uit de mouw: zij woont nog in bij haar ouders
en nodigt me uit om bij haar thuis te komen logeren, er is nog een
kamer vrij. Ze wil graag dat ik haar hoca (leraar) word die
haar Engels verbetert en haar meer over mijn land kan vertellen.
Hoe sympathiek zij ook overkomt, dat aanbod moet ik toch afslaan met
het slappe argument dat ik mijn hotel al betaald heb. Zij is
zichtbaar teleurgesteld door mijn afwijzing. Bij het afscheid
wisselen we geen adressen uit, iets wat normaal bij dit soort
ontmoetingen gebruikelijk is.
Theeterras met een schitterend uitzicht
In de oude stad moet volgens de reisgidsen nog een ander boetiek hotel liggen,
maar in de wirwar van straatjes kan ik het niet vinden, zeker niet nadat de
duisternis ingevallen is. Ik wil er een kamer reserveren, want morgen moet ik
die van mij in het Edoba Konaklari verlaten. Een Franse groep heeft dan het hele
hotel afgehuurd. Op een theeterras met een schitterend uitzicht over de vlakte
geniet ik van de ondergaande zon. Het bijbehorend café vlak bij de Ulu Camii
(uit de 12e eeuw) is
in Osmaanse stijl uitgevoerd, dus met veel lage tafeltjes, waterpijpen en zit-
en ligkussens tegen de wanden. Ik maak er een praatje met jonge moderne
stelletjes. Een van hen wil weten of hasjiesj in Amsterdam inderdaad gewoon in
de winkels aangeschaft kan worden. Dat beaam ik. Ze kijken ongelovig, maar
vinden het wel prachtig! Op mijn kamer kijk ik langdurig
naar een Japanse zender die in het Engels uitzendt. Veel Japans nieuws, maar ook
internationale items passeren de revue: heel aardig.