XI. Dinsdag 17 november ŞANLI URFA - HARRAN - ŞANLI URFA
Met de stadsbus ga ik naar de otogar waar ik in een minibusje naar Harran
stap. Dat wordt gereden door een onguur uitziende Arabier die niet alleen rookt
achter het stuur, maar ook een uur lang door zijn mobieltje zit te blèren. Als
hij vertrekt ben ik de enige passagier. Tergend langzaam rijdt hij de hele stad
door, af en toe zijstraten inslaand. De bedoeling is menselijke vracht op te
pikken, wat hem inderdaad is gelukt als we de zuidrand van de stad bereiken: het
busje zit helemaal vol. Daarna pas drukt hij het gaspedaal in, een half uur na
vertrek van de otogar. Ik zit me te verbijten van ergernis, maar dit
oeroude dolmusj - systeem wordt hier gewoon nog in ere gehouden. Zo te zien ben ik
de enige die zich hieraan stoort, maar zo zijn de zeden en gewoonten in dit
land, dus dien ik me maar te plooien.
Een ware belegering
Veertig kilometer verder door kaal akkerland bereiken we het stadje Harran. Als
ik uitstap ben ik de enig overgebleven passagier. Ik heb nog geen voet op de
bodem van dit historische plaatsje gezet of ik word al omsingeld door een troep
jongelui van tussen de 12 en 20 jaar oud. Ze willen allemaal iets van mij:
ansichten verkopen, me vieze cola aansmeren, voor gids spelen, een tapijt kwijt
willen, hun restaurantje laten zien. Ze spreken allemaal een woordje Engels,
waaruit blijkt dat Harran inmiddels in de toeristische vaart der volkeren is
opgestoten. Wat tien jaar geleden nog een dorp van nauwelijks 5.000 inwoners
was, is nu uitgegroeid tot een stad van meer dan 12.000 inwoners, zo’n
uitbreiding spreekt boekdelen. De Arabische handelaartjes zien me als een
geschenk uit de hemel, want ik ben de enige toerist die ze kunnen belagen in dit
godverlaten oord. Ze willen weten waar ik vandaan kom, meestal antwoord ik dan
gewoon Europa. Hier zal ik zeker geen Nederland zeggen, want dan zal ik bedolven
worden onder de dooddoeners als “Achtentachtig allemachtig prachtig”en
“Alleen kijke, nie kope”. Daar baal ik in Arabische landen altijd van en dat
laat ik merken ook. Zij
vinden het dan niet leuk dat ik dat niet leuk vind.
Opdringerige 'gidsen'
Ik probeer te ontsnappen aan die hardnekkige belegering en meen wat privacy te
vinden in een theetuin. Die poging wordt echter doorzien en zonder iets te
bestellen slepen ze stoelen aan en onderwerpen me onbeschaamd aan een waar
kruisverhoor; “Hoeveel kinderen heb je? Hoe heet je? Wat doe je voor de kost?
Waar ben je in Turkije al geweest? Hoe oud ben je?” De theebaas grijpt niet in.
Opnieuw weet ik me aan al die ongewenste aandacht te ontrukken en loop de heuvel
naar de archeologische site op. De lucht is grauw en heeft alle kleur uit het
landschap weggenomen. Het heeft hier al dagenlang geregend, de straten zijn niet
geplaveid, dus het is één grote modderpoel. Ik dreig een paar keer uit te
glijden en languit in die plakkerige prut te belanden. Achter me loopt een sliert snotapen
die zich als gids opdringen en als een zwerm aasgieren om me heen cirkelen. Ik kan ze maar
niet van me afschudden. Ik begin kwaad te worden en wil ze van me af meppen,
maar realiseer me bijtijds dat een al te heetgebakerde reactie bij deze
Arabieren wel eens verkeerd opgevat zou kunnen worden. Ik neem dan ook een kloek
besluit en keer terug zonder bijvoorbeeld de bijenkorfhuizen ook maar in zicht
te hebben gehad. Het dolmusjbusje staat er nog en brengt me in een half uur
terug naar Urfa. Het is dan net twaalf uur geweest.