|
|
LIMABus met vliegtuigalluresHet busstation van Huaraz is niet ver, daarom gaan we er te voet heen. Dat valt toch even tegen, met name voor Clim. Hij heeft moeite met het dragen van zijn zware tas. De schouderband ervan is al in het begin van de reis stuk gegaan. We moeten inchecken alsof we op een vliegveld zijn. We vinden dat enigszins overdreven, maar het is wel veilig. Bijna alle passagiers zijn toeristen, waarschijnlijk is deze “comfort class” te duur voor de plaatselijke bevolking. Een hele groep Franse trekkers reist met ons mee. Gelukkig zijn ze niet al te luidruchtig, ze zijn uitgeput door hun strapatzen in het hooggebergte. Aan boord loopt een fraaie jongedame rond die als stewardess fungeert; bij alles aapt zij de echte procedures in het vliegtuig na. De westerlingen in de bus vinden dit wel grappig. We krijgen een bakje eten (kip met rijst, we konden het al raden), waarna we mogen genieten van twee tv-films van bedenkelijke kwaliteit op het hoogste geluidsniveau. Vanaf de hoogvlakten de dalen in Enfin, het eerste
gedeelte van de reis is weer eens onvergetelijk, zowel de weg over de
hoogvlakte als die door de bergen naar beneden toe. De wegen zijn goed
geasfalteerd, zodat we toch door het raam
wat foto’s van de omgeving kunnen maken. Na elke bocht ontvouwt zich het ene
na het andere vergezicht voor onze begerige ogen. Na een pas van 4200 meter
overgestoken te hebben ( we zitten dan al ruim boven de boomgrens) gaat het
door een landschap van kalkstenen bergen richting kust. Allengs maken de
groene, pastorale landschappen plaats voor een kale zanderige negorij. Dan
gebeurt wat we van deze solide Volvo-bus juist niet hadden verwacht: we
krijgen een klapband! De chauffeur (de busjuffrouw noemt hem ‘onze piloot’….)
rijdt door tot een dorpje waar een vulcaniseerbedrijfje ligt. Dan is euvel
snel verholpen.
| |||||||||||||||||||||||||||||||
Back to the USAEen perfect Amerikaans sprekende jongeman klampt ons aan. Hij vertelt 9 jaar in de USA te hebben gewoond. Tot onze verrassing wil hij ons niets verkopen of ons diensten opdringen, hij is gewoon nieuwsgierig, dus poeieren we hem niet af. Hij wil natuurlijk zo snel mogelijk terug naar het Beloofde Land, maar hij komt er nu niet meer in. Hij is voor een vliegticket aan het sparen om er ooit als toerist terug te gaan en er vervolgens de illegaliteit in te duiken. Hij praat daar heel onbevangen over, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. |
Professionele receptionistWe gebruiken een bescheiden ontbijt met beschuit in het restaurant op de elfde etage. Zonder mist zouden we een grandioos uitzicht op de stad hebben gehad, maar nu is het een en al mistroostigheid. Onder aan de balie staat een nieuwe receptionist die prima Engels spreekt. Hij regelt telefonisch de herbevestiging van onze Iberia – vlucht over twee dagen. We gaan te voet de stad in, want de bezienswaardigheden die uit de koloniale tijd stammen liggen allemaal vlak bij elkaar. Het Plaza de Armas is een fraai plein, waaraan de kathedraal, het presidentieel paleis en andere opgeknapte overheidsgebouwen liggen. Mist: eeuwig en allesoverheersendAlles is er kletsnat van de ‘garua’. We volgen vanaf het plein een voetgangersgebied met zaken die je overal ter wereld kunt aantreffen: KFC, McDonalds, Bata. Het is druk op de promenade en, paranoia als we zijn geworden, lopen we in een stevig tempo vlak achter elkaar. We betreden de kerk van La Merced, vol barokke altaren en retabels. Frater Ururta wordt hier vereerd gezien de talloze dankbetuigingen op tegeltjes en ex voto’s. We passeren prachtige gebouwen in diverse bouwstijlen: vooral koloniaal en art deco. |
LIMA
Lima is de onbetwiste hoofdstad van Peru. De stad is gesticht door Pisarro en ligt vlak aan de kust waar de Rio Rimac in de Grote Oceaan uitmondt. Met zijn haven Callao erbij is de stad inmiddels uitgegroeid tot een metropool van meer dan 12 miljoen inwoners, bijna de helft van het totale aantal inwoners van Peru. Echt interessant is alleen het koloniale centrum en enkele rustiek gelegen buitenwijken (voormalige stadjes zoals Barranco en Miraflores). Van juni tot oktober ligt er een heel fijne motregen over de stad, de zogenaamde ‘garua’. In de andere maanden laat de zon zich ook zelden zien. Kortom, nogal mistroostig allemaal. Toch is een bezoek wel de moeite waard, met name door de bijzonder overdadige musea over de pre-colombiaanse culturen die de stad rijk is. |
We
komen uit bij het Parque de Italia, een mooi park met een theater, een Moorse
kiosk, een Byzantijns paviljoen en een Japanse tuin. Op een terras eten we een
boterham en soep. De in historisch uniform gestoken cavalerie van een of
andere garde en enkele VN-voertuigen met tanks erop rijden het plein voorbij.
Ze hebben aan het defilé ter ere van president Toledo meegedaan. We houden
een taxi aan en laten ons naar het befaamde Museo de Oro de Peru brengen.
Voor twee tientjes per man mogen we naar binnen, naar verhouding een exorbitant hoog bedrag in dit goedkope land, maar gezien het gebodene valt het eigenlijk nog mee. De drie etages waaruit het museum bestaat zijn letterlijk tot aan de nok toe gevuld met kunst- en gebruiksvoorwerpen van de oude Indiaanse culturen van Peru, zoals de Chancay, Chavin, Moche, Chivu, Huari en Inca. We worden duizelig van de (gouden) maskers, erotisch aardewerk, stoffige mummies, ceremoniële kleding. Vooral de vrolijke en fantasievolle potten van de Moche bevallen ons bijzonder.
Een hele zaal is volgepakt met wapentuig vanaf de 15de
eeuw en alles wat daar bij hoort (zadels, stijgbeugels, sporen en zo); tussen
de onafzienbare rijen ontdekken we de persoonlijke pistolen of dolken van
bekende figuren als Li Peng, Soekarno, Prins Charles. De zalen met geweven
stoffen gaan we in sneltreinvaart door, die interesseren ons minder. Als we voldaan buiten komen en een taxi terug willen nemen
vragen deze dubbele tarieven. We spelen de heren tegen elkaar uit en krijgen
zo toch nog een rit tegen normaal tarief.
|
|
|
|
LIMA
Spaanse hoofdstad van de Nieuwe Wereld
|
We
ontdekken dat bewoners van een uitgewoond appartementengebouw in een portiek
een geïmproviseerd drank- en
snoepwinkeltje hebben ingericht. We worden naar boven genood om bier op te halen. We
treffen er een onbeschrijfelijke ellende aan. Halfnaakte peuters kruipen er
lusteloos over de met rotzooi bezaaide vloer van wat een keuken moet
voorstellen. Het schijnt de bedoeling te zijn dat we het bier hier opdrinken,
maar dat gaat ons te ver. We nemen de reeds geopende flessen mee naar buiten
en drinken ze in het hotel op.
Sobere maar imposante kathedraalWe begeven ons in alle vroegte opnieuw naar de Plaza de Armas. Nu is de kathedraal wel open. Direct na de ingang trekt een mozaïek van de “Aankomst van Pizarro in Peru” onze bewonderende aandacht. Het graf van deze beroemde conquistador ligt er pal onder. Het is een sobere kerk die toch indruk maakt met enkele fraaie hoogtepunten zoals de koorstoelen die pareltjes van houtsnijkunst zijn. Er ligt ook een Museum voor Religieuze kunst dat in onze ogen zeer de moeite waard is. We drinken onze ochtendcappuccino in een favoriet restaurant (de koffie in het hotel is niet veel zaaks, een van de weinige minpunten). Aan de overkant van het plein vindt de wisseling van de wacht voor het paleis plaats. Klooster San FranciscoWe zoeken vervolgens het klooster en de kerk van San Francisco op, waar we verrast worden door de goed onderhouden staat van het oude complex. In de bouwstijl zijn hier en daar Moorse invloeden te bespeuren. Opvallend: de vele duiven op het voorplein die soms de twee torens geheel bedekken. Speciaal: de catacomben die uitgegraven zijn om 60.000 lijken te herbergen. De uitdrukking ‘botje bij botje leggen’ is hier letterlijk genomen: in de kuilen liggen scheenbenen met honderden bij elkaar, hopen dijbenen, bergen sleutelbenen. In een diepe put zijn de schedels netjes bij elkaar gelegd. |
|
Klooster van San Francisco |
||
|
|
|
|
Kerk en klooster van San FranciscoGrootste centrum van de Spaanse verspreiding van de Europese cultuur Het historische centrum van de Peruaanse hoofdstad, door de Spanjaarden gesticht in 1535, kent in ZuidAmerika geen gelijke. Enkele van de belangrijkste religieuze gebouwen die er staan, zijn de kathedraal, het aartsbisschoppelijk paleis en de kerken en kloosters van Santo Domingo en San Francisco. De kerk en het klooster werden in 1656 getroffen door een aardbeving. Tussen 1657 en 1674 werden ze herbouwd in Spaanse barokstijl en vandaag de dag huisvesten ze het museum voor religieuze kunst. De plaats, die in 1535 door veroveraar Francisco Pizarro werd gekozen, ligt aan de oever van de rivier de Rimac. Het is het grootste kloosterterrein in de Nieuwe Wereld en omvat de kerk van San Francisco, het klooster, twee kleine kapellen – La Soledad (de eenzaamheid) en El Milagro (het wonder) – en bijgebouwen. Een plein en rustige patio's maken van het complex een eenheid. De kloostermuren zijn bekleed met prachtige tegels uit Sevilla. Ondergronds is het complex door een stelsel van catacomben verbonden met andere gebouwen, waaronder de kathedraal. In de catacomben bevinden zich schedels en botten van christenen; sommige daarvan zijn keurig gerangschikt in ietwat macabere wielvormiqe patronen. Dat het herbouwde complex latere aardbevingen heeft doorstaan, is te danken aan de Portugese architect Constantino de Vasconcellos. Hij gebruikte stevige pilaren om de gewelven te ondersteunen en bouwde met hout en quincha, een lichtgewicht mengsel van riet, modder en pleisterkalk. De enige stenen elementen zijn de rijk gedecoreerde poort naar net altaar en de zijpoort. De kerk herbergt een schat aan sculpturen, houtsnijwerk, gravures, meubelen, en gouden en zilveren voorwerpen – alle betaald met donaties van de Spaanse goud- en zilvermijnen. Er is een voortreffelijke collectie Spaanse, Vlaamse en Peruaanse schilderkunst en de bibliotheek omvat 25.000 boeken. |
We eten in een volksrestaurant wat de pot schaft: soep, vis, friet met rijst en koffie. Totaal voor 2 personen kost ons dat nog geen zes gulden, dit wordt de goedkoopste maaltijd van de hele reis. We steken de brug over. De rivier de Rimac is slechts een siepelend stroompje, de bedding ligt vol vuilnis. Aan de overkant is het niet veilig volgens de ingewijden, maar aangezien het overdag is wagen we ons in de armoedige volkswijken. We bezoeken er als enige de stierenvechterarena met aanpalend museum.
Dit laatste toont veel foto’s van de helden, opgezette stierenkoppen aan de wanden, tekeningen en schilderijen van het festijn (o.a. een echte Picasso-pentekening) en dure kostuums van de torero’s. Ook hangt er een bebloede broek van een gedode torero. Op de achtergrond klinkt toepasselijke muziek met olé-koortjes. We krijgen een rondleiding door de Plaza de Toros van een manke zielenpoot, een soort knechtje. Elke keer als blijkt dat we weer eens zijn Spaans hebben begrepen zegt hij “Claro!”. In de arena zelf zijn jonge stierenvechters in de dop met een onhandig in elkaar geflanste namaakstier aan het oefenen.
|
|
|
Jonge torero oefent |
Namaakstier op wielen |
We
dringen verder de wijk binnen en eindigen bij het kloostercomplex van het
Convento de Descalzos dat in oranje en beige kleuren is opgefrist tijdens de
restauratie in 1995. Alweer enorm uitgebreid met twee kloostergangen en veel
schilderijen in de gangen en zalen. Het ademt met zijn wijnpers, keukens en
drukkerijtje een authentieke sfeer uit. We worden er doorheen geloodst door
een zwijgzame jonge meid. Na een biertje in een restaurant keren we per taxi
terug naar het centrum. De chauffeur is een enthousiaste voetballiefhebber. Hij kent nog steeds alle namen van de spelers van de “equipo de 1972 y 1976”
en weet ze moeiteloos op te sommen.
Namen als Poortvliet en van de Kerkhof kan
hij perfect uitspreken. Alleen met de uitspraak van de naam Cruijff heeft hij
moeite. Het voetbal van Holanda was volgens hem een “sistemo
de futbol total, como una maquina…” De man, die van onze
leeftijd is, wordt bijna lyrisch.
Ter
gelegenheid van onze laatste avond op het zuidelijk halfrond besluiten we
sjiek te gaan eten in het duurste koloniale hotel van de stad, het Bolivar. We
komen binnen door de lobby, die bekroond wordt door een veelkleurige koepel,
en volgen een luisterrijke gang die uitkomt in een voormalige balzaal vol
kristallen kroonluchters en spiegels. De pianist aan de vleugel speelt
romantische melodieën. In die zee van ruimte staan twintig tafeltjes, waarvan
er één bezet is door 2 westerse jonge vrouwen, de rest is leeg. We nemen
plaats en bestellen exquise gerechten zonder op de prijs te letten. Dat kost
ons als Nederlander toch wel enige moeite. Twee behulpzame obers staan in de
startblokken om ons op onze wenken te bedienen. We genieten niet alleen van de
bijna volmaakt bereide spijzen, maar ook van het retrosfeertje dat er hangt.
Bij het afrekenen verbazen we ons over de prijs, nog geen vijfenzeventig
gulden. Dat maakt de fooi voor de beide obers extra vet.
Vanavond
vliegen we terug naar huis. We hebben nog bijna een hele dag in Lima. We
rekenen het hotel af, geven er onze bagage in bewaring en bezoeken voor de
laatste keer de historische binnenstad. Vandaag wordt ’s morgens het
klooster van Santo Domingo ons hoofddoel. Ook dit complex is redelijk goed
gerestaureerd. Er hangt een zwarte heilige, de enige van Peru. De Heilige Rosa
wordt er ook vereerd, we bezoeken haar graf in de crypte. We lijken hier wel
de enige bezoekers, op wat schoolkinderen na.
![]() |
![]() |
’s
Middags volgt een bezoek aan het Museo Nacional. Het is een joekel van een
betonnen gebouw, bijzonder lelijk vinden we. Ze hebben er wel een schitterende
collectie van alle culturen die Peru ooit rijk is geweest, maar de Spaanse
cultuur van de laatste vijf eeuwen ontbreekt er volledig. Clim is hierover
niet te spreken. De maquettes van graven (hier ligt ook de originele Heer van
Sipan, waarvan we in Huaraz een replica hebben gezien), gebouwen en steden
spreken zeer tot de verbeelding. Op de derde verdieping (er zijn er negen)
stokt plotseling de collectie. De bovenste verdiepingen liggen op wat kantoren
na leeg, volgens de gidsen was er geen geld meer om die in te richten. Zijn
daarom de Spanjaarden er hier zo bekaaid van af gekomen? Clim denkt evenwel
dat die bewust zijn geboycot door de Indio – archeologen die schaamteloos
met hun afkomst koketteren.
Taxi in, terug naar het hotel (veel sneller nu, over de autobaan), bagage afhalen, nieuwe taxi aanroepen. Een oude baas van hotel helpt daarbij en regelt de prijs. Onderweg komen we langs afschuwelijke krottenwijken. Nabij de havenplaats Callao slaan we de richting van het vliegveld in. Dat kennen we nog van een weekje eerder, toen we daar bijna een hele dag in ledigheid doorbrachten. We sluiten direct aan bij de rij voor het Iberia-loket. Na drie kwartier zijn we er door en hebben we alle plichtplegingen (waaronder de dure airport tax van 25 dollar) achter de rug. We kunnen aan de koffie en het bier om onze soles op te maken. Jos koopt op de valreep nog een cd-rom vol foto’s van Peru (die thuis op de computer nogal tegen bleken te vallen). Om acht uur ’s avonds is zoals gepland ons vertrek.
Hoogtepunten
Lima
§
Plaza
Mayor. Fraai vormgegeven plein, omgeven door gerestaureerde koloniale
gebouwen. Wordt goed bewaakt door politieagenten.
§
De
kathedraal, met een museum voor religieuze kunst. Dateert uit 1746
(waarin de laatste echt grote aardbeving plaatsvond). Zoals alle
kathedralen in dit werelddeel: indrukwekkend.
§
Palacio
de Gobierno. Het presidentieel paleis. Elke dag wisseling van de
wacht.
§
Bisschoppelijk
Paleis. Uitbundige gevel, zowel aan voorkant als van opzij. Is niet
toegankelijk voor publiek.
§
Klooster
van San Francisco. Opvallend: de vele duiven die nestelen. Mooie
kloostergang met azulejos en intacte koorgalerij. Religieus
edelsmeedwerk. Catacomben met de beenderen van 60.000 gestorvenen.
Groot complex dat redelijk goed is onderhouden.
§
Klooster
Santo Domingo. Hier liggen nog de aanbeden graven van plaatselijke
heiligen. Ook goed onderhouden. Meerdere kloostergangen, kapittelzaal
met authentieke lambriseringen.
§
Iglesia
de la Merced. Rijk bewerkte gevel, vooral boven de portalen. In de
kerk: veel ex-voto’s voor de heilige pater Urraca, hoofdaltaar in
massief zilver.
§
Plaza
San Martin.
Groot plein met theatrale gebouwen in beige kleuren, onlangs
gerenoveerd en opgesierd met fonteinen en stukjes groen met bloemen.
Hier kwamen we vaak, vlakbij lag ons hotel.
§
Plaza de
Toros.
Arena aan de andere kant van de rivier; oudste van Amerika (1768).
Ernaast ligt een Museum gewijd aan stierenvechten, tekeningen van
Picasso.
§
Alameda
de los Descalzos. Klooster met kerk en museum voor schilderkunst (16e
eeuw). Vlakbij een wandelboulevard met veel beelden aan de voet van de
San Cristobal-heuvel.
§
Museo
Oro del Perú.
Schitterende museum, helaas iets te vol gepropt, heeft
ook een unieke wapenverzameling. Duizenden voorwerpen van goud, zilver e.d. uit de Indiaanse culturen. Hoge entreeprijs, particulier bezit.
Ligt aan de rand van de stad.
§
Museo
Nacional
de Anthropologia y Archeologia. Vergelijkbaar met het Museo
de Oro (zie hierboven), maar dan een staatsonderneming. Opvallend veel
restanten van de Chavín-cultuur. § Museo de la Nacion. Opgericht door de voormalige president Alan García, heel modern van opzet. Is nog niet helemaal af, geen geld zegt men. Heel pedagogisch, helder met veel uitleg van de historische culturen en volkeren. Veel maquettes, foto’s en kaartjes. Zeker de moeite waard. Alleen de Spaanse koloniale cultuur wordt er stelselmatig genegeerd. |
De terugvlucht verloopt zonder enig probleem, maar ook zonder hoogtepunten. We proberen te slapen, maar dat lukt maar ten dele. De overstap in Madrid verloopt soepel, hoewel we maar heel weinig tijd hebben. Zelfs een kopje koffie kan er wegens tijdnood niet vanaf. Twee uur later staan we op Schiphol. Zo rap mogelijk zoeken we het treinstation op, want het is al vroeg in de avond en mogelijk kunnen we Roermond net niet meer bereiken. Gelukkig zijn de verbindingen gunstig. Onderweg ergeren we ons mateloos aan de bedelende junks en de talloze dominant , misschien wel bedreigend overkomende zwarten op de Amsterdamse stations. In Peru bedelt men tenminste omdat men honger heeft; hier bedelt men omdat men een shot nodig heeft.
![]() |
![]() |
| Armoede in de wijk Rimac |
Als we Brabant binnenrijden breekt er een hels noodweer los. In Limburg blijkt dit later de nodige schade te hebben aangericht. Om elf uur komen we in onze woonplaats Roermond aan. Helaas, geen taxi te bekennen. Wekenlang zijn we door taxi’s omringd geweest, tientallen hebben we er moeten afwimpelen, maar een taxi in het zogenaamd geciviliseerde Roermond, ho maar!
Na een half uur gaan we in Hotel De La Station een biertje drinken, wachtend op een mogelijke taxi door voorbijrijdt. Tegen twaalf uur lukt het Clim in de stromende regen een bezette taxi aan te houden; de Surinaamse chauffeur belooft terug te komen. En jawel, tien minuten later kunnen we eindelijk echt naar huis. We zijn nu 31 dagen voortdurend onderweg geweest en verlangen naar ons eigen bed. En niet te vergeten de resterende 2 weken vakantie waarin we pas ècht kunnen uitrusten.