|
|
HUARAZ
Chimbote: derdewereldstadMoeizaam
staan we om vijf uur op. De bestelde taxi wil maar niet op komen dagen. Net
als we met een andere taxi staan te onderhandelen komt hij aantuffen. Gelukkig
verontschuldigt hij zich wel. Op het busstation is het al druk. We nemen de
eerste bus die vertrekt, stipt om 06.00 uur. De reis voert ons langs de kale,
onbegroeide en onherbergzame kust, voor ons een legitieme reden om slaap in te
halen. Twee uur later komen we
aan in Chimbote. Wat we van deze grote stad zien zijn regelrechte Derde
Wereld-toestanden: smerig, druk en onhygiënisch. (Vijf jaar geleden is juist
in deze stad een cholera-epidemie uitgebroken, iets wat ons niet verbaast.)
Het lijkt hier het platteland van India wel. In het haveloze busstation moeten
we overstappen. We kruipen in een krakkemikkige en vuile bus van een lokale
onderneming, samen met een aantal backpackers van allerlei nationaliteiten. We
tellen 4 Israëlische meiden, 5 Hollandse vrouwen, 3 Amerikaansen, 1 Duitser, 1
Frans stel en Clim en ik, de Limburgers. We zitten klaarblijkelijk op een populaire route.
Weer de bergen in
Het
eerste half uur rijden we door de oase met zijn bevloeide akkers. Daarna wordt
het een eentonige boel. De begroeiing is compleet verdwenen en het fijne stof
dringt door de naden en kieren van de aftandse bus. Jos zit met zijn voeten in
een olievlek, bij elke bocht of uitwijkmanoeuvre van de chauffeur glijdt hij
weg. We rijden de kale bergen in. Om 11 uur zitten we al op grote hoogte en
pauzeren we een half uur in een dorpje van 5 onafgewerkte adobe huizen, waar
je eten en drinken kunt kopen. De chauffeur geniet van zijn lunch: grove rijst
met steentjes erin en een afschrikwekkende schapenkop. We houden het op eerder gekochte olijfbroodjes. De weg is al
lang niet meer geplaveid en een lekke band kan dan ook niet lang uitblijven.
Net na het passeren van een diepe afgrond krijgen we onze eerste klapband. Dat
blijkt een kolfje naar de hand van de bijrijder te zijn: binnen een kwartier
heeft hij de band routineus verwisseld. De passagiers kijken lusteloos in de
zinderende hitte toe. Schitterende landschappenGelukkig wordt de weg daarna een stuk interessanter. De bergen worden hoger en veelkleuriger, de dalen dieper. Het eerste groen dient zich aan, eerst cactussen, dan struiken en vervolgens kleine boompjes. Een dorp kan dan niet ver weg meer zijn. En inderdaad, we zien al gauw velden en boerderijtjes liggen. We passeren de pas over de Cañon del Pato, waar enkele bergdorpjes tegen de hellingen geplakt zijn. De school is er net uit en de kinderen begeven zich in hun opvallende uniformpjes langs de diverse bergpaadjes huiswaarts / hutwaarts. Van hieruit hebben we schitterende vergezichten. Jammer genoeg stoppen we niet in deze mooie bergwereld, dus foto’s van al dit schoons hebben we nauwelijks kunnen maken.
Drie klapbanden onderwegPas als we de Cordillera Negra voorbij zijn en we ons op de hoogvlakte bevinden, wordt er opnieuw gestopt. Noodgedwongen weliswaar, want er is weer eens een band kapot. Clim helpt als enige de bijrijder met het verplaatsen van de zware reserveband van het dak. Hij baalt, want daarna moet hij met smerige handen verder reizen. De chauffeur zit op een stoel toe te kijken en steekt geen hand uit. "Dat is mijn werk niet", zie je hem denken. Vlak voor Huaraz begeeft de derde band het. De chauffeur besluit verder te reizen, hij heeft per slot van rekening nog vijf wielen over en de eindbestemming is niet ver meer. Rampzalige aardverschuivingen
We rijden door een streek waar nog niet zo
lang geleden (1970 om precies te zijn) een aardbeving voor gigantische
aardverschuivingen (“alluviales”) zorgde. De stroom van
water/modder/zand/rotsen en ijs overspoelde in no time hele dorpen en stadjes.
Bij deze ramp waren 70.000 slachtoffers te betreuren. Een van die dorpjes
heeft men niet meer uitgegraven (de andere wel om de doden te bergen): alleen
de kerktoren steekt nog boven de aarde uit. Links van ons zien we een nog
imposanter bergmassief oprijzen, de Cordillera Blanca (zo genoemd vanwege de
sneeuw en de witte rotsen). Deze keten telt meer dan 50 toppen van over de
5000 meter, de ene nog mooier dan de andere. De Huascaran, met zo’n 6700
meter de hoogste berg in Peru, bekroont dit massief. Af en toe zien we hem
liggen als we door een bocht gaan. Om de haverklap stopt de bus om
plaatselijke bewoners op te pikken of af te zetten. De opbrengst van deze
illegale passagiers steekt de busbemanning in eigen zak, daar kraait toch geen
haan naar.
Bagage afladen, dief slaat toeWe
komen in Huaraz aan terwijl de duisternis invalt en het begint te motregenen,
niet bepaald uitnodigend. In een achterafstraatje worden de passagiers
geloosd. Clim helpt de bagage van het dak afnemen. Terwijl hij
zo bezig is, slaat achter zijn rug een tassensnaaier toe. Hij neemt een
van onze tassen op en loopt er rustig en onopvallend mee weg. Gelukkig heeft
Jos hem in de gaten terwijl hij even verderop onder een afdakje een lang
verbeid sigaretje staat te roken. Hij bedenkt zich niet lang en slaat de dief met één
welgerichte slag tegen de grond, waarna hij hem bespringt.
Dure en volle hotelsWe
staan weer van emotie te trillen op onze benen. Door de duisternis en het
ontbreken van een goede plattegrond zijn we ook nog eens helemaal gedesoriënteerd.
We nemen dan ook een taxi in de arm (een echte…) om ons naar het centrum te
brengen. Daar blijken de middenklassenhotels zoals het Gran Hotel volgeboekt;
het is momenteel hoogseizoen hier en de prijzen schieten dan de hoogte in door
de toegenomen vraag naar onderdak van bergbeklimmers. We
vinden na een uurtje toch een redelijk onderkomen bij hotel Santa Victoria,
maar dat is wel duur naar verhouding. We proberen af te dingen, maar de
Indiaanse achter de balie geeft geen krimp. Voor het eerst tijdens onze reis
betalen we meer dan honderd gulden voor een hotelkamer. We gaan daarna niet
meer naar buiten, maar eten in het restaurant van het hotel. Ze hebben er goed
spul en we zijn tevreden.
Een soort rustdagNa
de lange rit van gisteren zijn we moe en hebben we nog steeds pijn in de rug.
We besluiten er een soort rustdag van te maken. Na een maagvullend ontbijt van
eieren met spek trekken we het stadje in (toch nog bijna 100.000 inwoners). We
bezoeken er het archeologisch museum waar lokale schatten van o.a. de
Chavin-cultuur zijn tentoongesteld, alsmede een replica op ware grootte van
het schitterende graf van de Heer van Sipan, een zeer rijk graf dat recent in
de buurt ongeschonden is opgegraven. In de tuin is een beeldenexpositie van
gave steles en andere bewerkte stenen van duizenden jaren oud.
Armoe troef
Na enig zoeken vinden we toch een bank die onze pinpassen accepteert. Daarnaast ligt een internetcafé, waar Jos net een boodschap heeft voltooid om per e-mail naar vrienden en kennissen te versturen als de stroom uitvalt. Er heerst een totale duisternis, waarvan nogal wat klanten gebruik maken door er onbetaald tussen uit te knijpen. Een stoet traditioneel geklede vrouwen van het platteland kruist ons pad. Ze zijn hier vanwege de festiviteiten ’s avonds; ze blijven angstvallig bij elkaar in de buurt. Bij het kantoor van de firma Cruz del Sur (dat is wel even zoeken geblazen) boeken we een comfortabele busreis naar Lima voor morgen. Optocht met muziekOok
proberen we in ons hotel onze terugvlucht bij Iberia Airlines te
herbevestigen. De receptioniste krijgt een antwoordapparaat aan de lijn; het
is weekend en dan is het kantoor gesloten. Dat valt ons tegen van een
internationale luchtvaartmaatschappij.
|