|
GESCHIEDENIS
Berlijn is ontstaan uit twee marktplaatsjes: Cölln, gelegen op een eiland in de
Spree, en Berlin, ten noorden daarvan op de rechteroever van de rivier. Beide
kregen in 1237 stadsrecht. In 1442 liet de markgraaf van Brandenburg, Friedrich
II uit het Huis Hohenzollem, in Cölln een burcht bouwen. De markgraven, die in
1415 de keurvorstelijke waardigheid hadden gekregen, kozen deze burcht in 1486
tot hun vaste residentie.
Na de Dertigjarige Oorlog (16161648), waarin het inwonertal slonk tot 6000,
legde Friedrich Wilhelm I von Hohenzollern, bijgenaamd `de Grote Keurvorst', de
grondslag voor de enorme opbloei van Berlijn, o.a. door het op grote schaal
toelaten van uit Frankrijk gevluchte hugenoten, die hier de weefnijverheid
brachten. Zijn zoon, die als Frederik I in 1701 de eerste koning van Pruisen
werd, breidde de stad sterk uit. De oude burcht, al in de 16de eeuw tot
renaissancepaleis verbouwd, kreeg onder hem een barokke voorgevel. Onder
Frederik II de Grote van Pruisen kwamen tal van bouwwerken in rococostijl tot
stand (opera, Hedwigkathedraal, bibliotheek). Aan het einde van Frederiks
regering (1786) telde Berlijn 147 000 inwoners. Van oktober 1806 tot december
1808 werd Berlijn door Franse Napoleontische troepen bezet. In 1810 kreeg de
bevrijde stad de universiteit die zo'n grote rol in de geschiedenis van de
Duitse wetenschap zou spelen. Berlijn werd nu behalve industriecentrum ook een
intellectueel centrum van betekenis. In de tweede helft van de 19de eeuw werd in
steeds sneller tempo de industrialisatie doorgezet. Toen in 1871 de Pruisische
koning Wilhelm I Duits keizer werd en Berlijn de hoofdstad van het Rijk, groeide
het uit tot een miljoenenstad. Na de annexatie van de voorsteden Charlottenburg,
Köpenick, Lichtenberg, Neukölln, Spandau, Wilmersdorf en enkele kleinere
plaatsjes in oktober 1920, steeg het inwonertal van Gross Berlin tot 4,3 miljoen.
Berlijn beleefde op cultureel gebied van ca. 1900 tot 1933 en zeer speciaal
gedurende de legendarische jaren twintig een gouden tijd. Muziek, theater,
cabaret en het museumwezen bloeiden er als nooit tevoren. Kurfürstendamm en
Tauentzienstrasse, nabij de Kaiser Wilhelm Gedächtniskirche, werden begrippen in
het internationale culturele leven.
Alexanderplatz
met parkaanleg bij de Fernsehturm (Mitte). De na de verwoestingen van de Tweede
Wereldoorlog in het kader van de wederopbouw bijna viermaal zo groot geworden
Alexanderplatz, een voormalige markt en exercitieplaats, die toen nog buiten de
poorten van Berlijn lag, werd genoemd naar de Russische tsaar Alexander 1 naar
aanleiding van zijn bezoek in het jaar 1805. Tegenwoordig is het plein
voetgangersgebied, terwijl het autoverkeer door een tunnel wordt geleid. De
uiterlijke veranderingen, die dit plein in tweeënhalve eeuw heeft doorgemaakt,
worden geïllustreerd in acht porseleinafbeeldingen in de voetgangerstunnel bij
het hotel `Stadt Berlin'. Het plein werd wereldberoemd door Alfred Döblins roman
`Berlin Alexanderplatz' (1929), waarin de avontuurlijke geschiedenis van de
transportarbeider Franz Bieberkopf wordt verteld, die op de `Alex' kranten
verkoopt. In de door nieuwbouwcomplexen geflankeerde brede parkaanleg tussen
Alexanderplatz en Lustgorten verheft zich ook de (met antenne) 365 m hoge
Fernsehturm, die in 19651969 door een collectief werd gebouwd naar een idee van
Hermann Henselmann. Het uitzichtplateau bevindt zich op een hoogte van 203 m,
met erboven een draaibaar café. Tot de parkaanleg behoren ook de Marienkirche, het Rode Raadhuis (1861
- 1869; Hermann Waesemann) en de
daartussen liggende Neptunusfontein, een werk van Reinhold Begas, ten tijde van
haar opstelling (1891) de grootste fontein ter wereld.
Met de komst van Adolf Hitler in 1933 kwam deze glansrijke periode tot een
abrupt einde. Intellectuelen en kunstenaars verlieten bij duizenden de stad. Het
was Hitlers ambitie Berlijn tot de mooiste en vooral meest indrukwekkende stad
van de wereld te maken. En zo werd het ene monumentale bouwwerk na het andere
uit de grond gestampt. Een prestigedecor dat in de laatste oorlogsjaren als een
kaartenhuis in puin viel. In maartapril 1945 werd de stad 45 dagen en 45 nachten
aan één stuk door gebombardeerd. Op 18 april stonden de Russische legers voor
wat Hitler tot de `vesting Berlijn' had verklaard. Op 2 mei 1945 was Berlijn
geheel in Russische handen. De stad werd opgedeeld in vier bezettingszones en in
1949 werd zij opgesplitst in Oost- en West - Berlijn.
De bouw van de muur op 13 augustus 1961 dwars door de stad was een van de
hoogtepunten in de `Koude Oorlog'. In de herfst van 1989 viel deze betonnen
barrière en sinds 3 oktober 1990 is Berlijn weer een ongedeelde stad. Op 2
december 1990 vonden de eerste gezamenlijke Berlijnse verkiezingen plaats.
Alter Jüdischer Friedhof
(Grosse Hamburger/Oranienburger Strasse; Mitte). Tegenwoordig een
parkaanleg met herdenkingsgraf van de in het jaar 1786 in Berlijn overleden
filosoof Moses Mendelssohn. De in 1672 aangelegde begraafplaats werd in 1943
door de Gestapo verwoest. (Prenzlauer Berg).
Grafmonument voor de impressionistische schilder Max Liebermann en zijn
echtgenote. (HerbertBaumStrasse 45; Weissensee). De begraafplaats is in zijn
soort het grootste joodse historische en culturele monument in Duitsland, en
daarnaast een belangrijk herdenkingsteken voor de vervolging en de dood van de
joden in de concentratiekampen in de periode 19331945. De begraafplaats werd in
1880 aangelegd naar een ontwerp van Hugo Licht met een Trauerhalle in de vorm
van een centraalbouw in de Italiaanse renaissancestijl. Twee monumenten
herdenken de periode 1933 - 1945: een steen met inscriptie herinnert aan de
vermoorde joden en een grafsteen herdenkt de in 1938 gedurende de pogroms
geschonden thorarollen. De totale aanleg wordt door een rasterpatroon met radialen geleed en in vakken verdeeld, de afzonderlijke afdelingen zijn
alfabetisch benoemd. In een ere-rij zijn de belangrijkste personen uit de joodse
gemeente, religie, wetenschap en cultuur bijgezet. Hier bevinden zich de
sarcofaag van Hermann Cohen (filosoof, 18421918), een gedenksteen voor Herbert
Baum (geboren 1912) en 27 leden van zijn verzetsgroep, die allen in 19421943
werden terechtgesteld. Buiten deze ere rij bevinden zich op de begraafplaats de
grafmonumenten voor Rudolf Mosse (uitgever, 1843 - 1920), Samuel Fischer (uitgever,
18591934) en Hermaren Tietz (stichter van het warenhuis, 1837 - 1907). De
grafmonumenten zijn vormgegeven in de historiserende mengvormen van de laatromaanse en de late renaissancestijl, de Jugendstil, de neorenaissance (o.m.
de Dorische tempel voor de kamerzanger Josef Schwarz, overleden 1926), de nieuwe
zakelijkheid of het kubisme (o.m. het grafteken Mendel uit 1924 naar een ontwerp
van Walter Gropius).
Andere bouwwerken
Olympia Stadion in Charlottenburg
Het werd gebouwd voor de Olympische Spelen in Berlijn in 1936, naar
plannen van Werner March. Het immense, ovale stadion biedt plaats aan 100 000
bezoekers. De 76 m hoge klokkentoren werd in 1962 herbouwd. Het Internationale
Kongress Zentrum Berlin, ICC Berlin (Messedamm; stadsdeel Charlottenburg), werd
in 1979 geopend. Er zijn 80 zalen, die ook voor culturele doeleinden worden
gebruikt. In het stadsdeel Neukölln, waar woonkazernes overheersten, is in
19631973 de zgn. Gropiusstadt, oftewel Gross Siedlung Berlin Buckow, ontstaan.
Het concept hiervan is van Walter Gropius. Op een oppervlakte van 260 ha staan
17 000 woonhuizen voor 50 000 mensen. Hoog en laagbouw wisselen elkaar af. Een
90 m hoge flat met 31 verdiepingen is het hoogste woonhuis in Berlijn. Er zijn
voorts winkelcentra en andere communale voorzieningen. Kunsthistorisch
belangrijk is de Turbinehal van AEG (Huttenstrasse 1216; stadsdeel Tiergarten),
in 19081909 gebouwd door Peter Behrens: het eerste bouwwerk van staal en glas in
Duitsland.
Andere musea
Her en der over de stad verspreid liggen nog tal van andere, meer
gespecialiseerde musea. Hieronder volgt een greep uit het enorme aanbod. Het
Brücke Museum (Dahlem) is gewijd aan de expressionistische
schilders die zich in 1905 in Dresden aaneensloten onder de naam `Die Brücke'.
Het Bauhaus Archiv. Museum für Gestaltung ( Tiergarten),
gevestigd in een gebouw uit 1979, is gewijd aan de vernieuwende vormgeving door
het befaamde Bauhaus in 1919 - 1933 ontwikkeld. Het Berlin Museum ( Kreuzberg), ondergebracht in het barokke, voormalige Kammergericht, documenteert
de geschiedenis van de stad. Het Hugenottenn Museum in de Franse kerk. Het
Märkisches Museum (gesticht 1874) aan het Köllnische Park, in 1901 - 1907 naar het
ontwerp van Ludwig Hoffmann gebouwd als een verzameling van Brandenburgse
architectuur, laat de cultuurhistorische ontwikkeling van Berlijn in de
hoofdafdelingen pre en protohistorie,stadsgeschiedenis vanaf de Middeleeuwen tot
heden, kunst en kunstnijverheid en Berlijnse theatergeschiedenis zien. Het
Museum für Naturkunde (Invalidenstrasse) behoort tot de belangrijkste in zijn
soort in Duitsland (50 miljoen objecten) en is vooral beroemd vanwege zijn
dinosaurussen. Het Otto Nagel Haus op de Märkische Ufer is gewijd aan de Berlijnse
schilder Otto Nagel (1894, 1967). Het Postmuseum (Leipziger Str.) is een
stichting van de rijkspostmeester von Stephan uit 1872. Het Deutsches Rundfunkmuseum, een
omroepmuseum aan de voet van de Funkturm, werd in 1926 opgericht door H.
Straumer in het stadsdeel Charlottenburg. Het Museum für Verkehr und Technik (Trebbiner
Str. 9) toont stoommachines en robotten, fietsen en motorvoertuigen, vliegtuigen
en motoren, scheepsmodellen en scheepvaartroutes, typemachines en materiaal
betreffende druktechniek, historie van het rekenen en de dataopslag, de
basisprincipes van de fysica en techniek. De Staatliche Porzellanmanufaktur (Wegelystr.
en Budapester Str. 48) bezit een verzameling historisch porselein en biedt een
rondleiding door de beroemde Berlijnse menufactuur.
Berliner Ensemble
(BertoltBrechtPlatz; Mitte). Het Berliner Ensemble werd in 18911892 door
Heinrich Seeling als Neues Theater am Schiffbauerdamm gebouwd. Op 19 maart 1954
beleefde Bertolt Brecht de inwijding van het SchiffbauerdammTheater als eigen
podium voor de door hem en zijn echtgenote Helene Weigel in 1949 in het Deutsche
Theater opgerichte toneelgroep `Berliner Ensemble'. Dit toneelensemble bracht
vooral ensceneringen van stukken van Brecht (`Mutter Courage', `Herr Puntila und
sein Knecht Matti'). Op het podium van het Neues Theater beleefde in 1892
Gerhart Hauptmanns drama `Die Weber' zijn première; in het jaar 1928 begon hier
met de première van Brechts `Dreigroschenoper' een nieuw tijdperk voor het
theaterwezen.
Botanischer Garten
In het stadsdeel Dahlem, aan de KöniginLuiseStrasse, ligt de 42 ha grote
botanische tuin met een uitgebreide plantengeografische afdeling. Er zijn
zestien kassen, waaronder het grote Tropenhuis, te bezichtigen.
Brandenburger Tor
(Pariser Platz). De in de jaren 17881791 gebouwde Brandenburger Tor vormt de
architectonische afsluiting van Unter den Linden. Bij de inwijding in 1791
ontving deze de naam `Friedenstor'. Carl Gotthard Langhans bouwde dit
monumentale, door twee vleugels ingesloten zandstenen poortcomplex met Dorische
zuilen naar het voorbeeld van de propyleeën in Athene en initieerde daarmee het
Berlijnse classicisme. De Brandenburger Tor is als enige van de oorspronkelijk
achttien stadspoorten van Berlijn bewaard gebleven (de stadsmuur werd samen met
de poorten in de 18de en 19de eeuw afgebroken). Op het dak van het poortgebouw
verheft zich de in 1789 (in het jaar van de Franse Revolutie) door Johann
Gottfried Schadow ontworpen Quadriga: de met eikeloof omkranste
overwinningsgodin Victoria (oorspronkelijk naakt) in een antieke strijdwagen,
die door een vierspan wordt getrokken. Napoleon had in 1807 de quadriga over
laten brengen naar Parijs; na het eind van de bevrijdingsoorlogen keerde zij in
1814 naar haar oorspronkelijke plek terug.
Charlottenburg
Het slot Charlottenburg herbergt het Museum für Vor und Frühgeschichte met
kunstvoorwerpen en huisraad van de vroegste tijden tot de Middeleeuwen.
Tegenover het slot liggen: het Ägyptisches Museum (Schlossstrasse 70), dat een
schitterende collectie Egyptische kunst exposeert met als pronkstuk de beroemde
kalkstenen kop van koningin Nefertete (ca. 1360 v.C.) uit Tel elAmarna; het
Antikenmuseum (Schlossstrasse la), met Griekse vazen, Etruskische kunst, ivoren,
antieke sieraden enz.; het BröhanMuseum met meubels en voorwerpen in Jugendstil
en art deco, voorts schilderijen.
Dahlem
In het voormalige dorp Dahlem is het complex gesitueerd van de Staatliche Museen
Preussischer Kulturbesitz BerlinDahlem. Het omvat de Gemäldegalerie met ca. 600
topstukken uit de Europese schilderkunst, van meesters uit de Zuidelijke en
Noordelijke Nederlanden (Van Eyck, Van der Weyden, Memling, Van der Goes, Bosch,
Brueghel, Rubens, Van Dijck, Rembrandt, Hals), uit Duitsland (Durer, Cranach,
Holbein de Jongere), uit Italië (Botticelli, Rafaël, Titiaan), uit Frankrijk (Poussin,
Watteau) en uit Spanje (El Greco, Goya, Velázquez), de Skulpturengalerie met een
schitterende collectie beeldhouwkunst (Riemenschneider, Donatello, Bernini) en
ivoren, het Kupferstichkabinett met tekeningen (Durer, Rembrandt) en grafiek,
een van de omvangrijkste prentenkabinetten ter wereld, het Museum für Indische
Kunst (sculpturen, wandschilderingen, edelsmeedkunst), het Museum für Islamische
Kunst (tapijten, grafstenen, textilia), het Museum für Ostasiatische Kunst met
kunstvoorwerpen uit China, Japan, Korea van de 2de eeuw v.C. tot heden, het
Museum für Völkerkunde met een rijke collectie etnografica uit het
Zuidzeegebied, Afrika, ZuidAzië en Noord en ZuidAmerika. Niet ver van dit
complex ligt het Museum für Deutsche Volkskunde met meubels, keramiek, textiel,
huishoudelijke voorwerpen uit Duitstalige landen en MiddenEuropa.
De oudste kerken van Berlijn liggen in de voormalige dorpen, bijv. de St.
AnnenKirche in Dahlem (14de eeuw) met een 15deeeuws koor. In deze kerk bevinden
zich 14deeeuwse fresco's, een vroeg 16deeeuws uit hout gesneden altaar, een
17deeeuwse preekstoel en interessante grafstenen.
Deutsche Kirche
(Gendarmenmarkt; Mitte). De centraalbouw werd in 17011708 door Giovanni
Simonetti gebouwd naar plannen van Martin Grünberg op de Gendarmenmarkt, de
voormalige hoofdmarkt van Friedrichstadt; bij is geconcipieerd als tegenwicht
voor de aan hetzelfde plein gelegen Franse kerk, en is zoals deze van een toren
naar het ontwerp van Carl v. Gontard voorzien (verbouwing van de kerk 1881 -
1882).
Deutsche Oper
(Bismarckstrasse; Charlottenburg). Dit theater werd in 1962 door F. Bornemann
gebouwd op de plaats waar vroeger de Städtische Oper stond. Om geluidshinder te
voorkomen werd de raamloze voorgevel met kiezelstenen bekleed, de zijkanten
daarentegen zijn van glas. Het abstracte stalen beeldhouwwerk ervoor is van H.
Uhlmann.
Deutsche Staatsoper
(Unter den Linden 7/ Bebelplatz). Georg Wenzeslaus v. Knobelsdorff bouwde in
17411743 de opera als eerste van de drie door Frederik de Grote geplande
monumentale bouwwerken van het Forum Fridericianum; het gebouw werd nog voor de
voltooiing op 17 december 1742 met Carl Heinrich Grauns `Caesar en Cleopatra'
geopend. Driemaal brandde het af, werd het respectievelijk door bommen verwoest
(1843, 1943, 1945), maar steeds werd het op basis van het ontwerp van von
Knobelsdorff weer gereconstrueerd. In 1955 vond de opening van het huidige
gebouw plaats met een opvoering van Richard Wagners `Die Meistersinger von
Nürnberg'. Het repertoire van de opera (seizoen: eind augustus tot begin juli)
bevat naast de gangbare balletten en opera's vooral de werken van het
contemporaine muziektheater.
Dom
(Lustgorten; Mitte). De 117 m lange en 73 m diepe centraalbouw hij diende de
Hohenzollern als hofen grafkerkwerd in 18931905 door Julius Raschdorff in de
pompeuze stijl van het Wilhelminische tijdperk op de plaats van de in 17471750
door Johann Boumann de Oudere ontworpen dom gebouwd, die rond 1820 werd
veranderd en in 1893 afgebroken. Het als 'hoofdkerk van het Pruisische
protestantisme' en als 'Pieterskerk van het noorden' bestempelde bouwwerk, dat
in de 20ste eeuw door veel critici als 'protserig' werd afgewezen, is een van de
monumentale voorbeelden van het late historisme van het einde van de 19de eeuw.
Na de verwoesting in de Tweede Wereldoorlog volgde in 19751980 de wederopbouw.
De inrichting werd, voor zover ze niet uit de vorige kerk werd overgenomen,
vervaardigd door kunstenaars uit de tijd van Wilhelm 11 (Max Baumbach, Karl
Begas de Jongere, Adolf Brütt, Alexander Calandrelli, Woldemar Friedrich,
Johannes Goetz, Ernst Herter, Gerhard Janensch, Otto Lessing, Ludwig Manzel,
Friedrich Pfannschmidt, Fritz Schaper, Walter Schott, Anton v. Werner, Wilhelm
Widemann). Van de sarcofagen en de grafmonumenten in het Hohenzollernmausoleum
zijn belangrijk: de pronksarcofagen van koningin Sophie Charlotte ('1705),
koning Frederik 1 ('1713) en prins Friedrich Ludwig (, 1708), alle van Andreas
Schlüter,en de sarcofaag van de keurvorst Johann Cicero (11499) uit de
werkplaats van Peter Vischer de Oudere, in 1530 uitgevoerd door Johannes Vischer.
Verder de pronksarcofagen van de `Grote Keurvorst' Friedrich Wilhelm (11688) en
zijn tweede echtgenote Dorothea v. HolsteinGlücksburg (11689), beide van Johann
Michael Döbel.
Dorotheenstädtischer und Friedrich Werderscher Friedhof
(Chausseestr. 126; centrum). Op de in 1762 aangelegde begraafplaats en het
nabijgelegen Französische Friedhof beide met schitterende monumenten zijn de
laatste rustplaatsen van talrijke prominenten uit de 19de en 20ste eeuw te
vinden. `... zoveel gedoofde fakkels bijeen treft men waarschijnlijk alleen nog
in Parijs op PèreLachaise aan', noteerde Friedrich Hebbel in zijn dagboek, toen
hij de begraafplaatsen in 1851 bezocht. Hier bevinden zich o.m. de
grafmonumenten en laatste rustplaatsen van de filosofen Georg Wilhelm Friedrich
Hegel (1831) en Johann Gottlieb Fichte (1814), de beeldhouwers Christian Daniel
Rauch (1857) en Johann Gottfried Schadow (1850), de bouwmeester Karl Friedrich
Schinkel (1841), de architecten Friedrich August Stüler (1865) en Johann
Heinrich Strack (1880), de criminalist en literator Julius Eduard Hitzig (1849)
en zijn familie, de politicus Rudolf v. Delbrück (1903), de graficus John
Heartjield (1968), Bertolt Brecht (1956) en Helene Weigel (1971), de schrijvers
Johannes R. Becher (1958) en Heinrich Mann (1950).
Europa Center
(Breidscheidplatz; stadsdeel Charlottenburg). Niet ver van de
KaiserWilhelmGedächtniskirche staat dit twintig verdiepingen hoge centrum,
waarin o.a. 100 winkels en restaurants, vijf bioscopen, het revuetheater `La vie
en rose' en het theater van de vermaarde Berlijnse cabaretgroep `Stachelschweine'
een plaats hebben gevonden. Het gebouw is ontworpen door K.H. Pepper en kwam in
19631965 tot stand. De 13 m hoge klok in de hal, een horloge à eau, is van de
Fransman Gitton.
Feldherrenmonumenten
(Unter den Linden). Aan de zuidzijde van Unter den Linden strekt zich tussen de
Deutsche Staatsoper en het voormalige prinsessenpaleis (thans operacafé) een
groenvoorziening uit met in 18221855 door Christian Daniel Rauch geschapen
veldherenmonumenten, die als hoofdwerken van de 19deeeuwse Berlijnse
beeldhouwkunst worden beschouwd: Gerhard v. Scharnhorst, Ludwig graaf Yorek v.
Wartenburg, Gebhard Leberecht vorst Blücher, August graaf' Neidhardt v.
Gneisenau.
Franziskanerkirche en Graues Kloster
(Kloster/Grunerstr.; Mitte). De Franziskanerkirche en het Graues Kloster behoren
tot de belangrijkste bouwwerken van de gotiek in Berlijn. Het schip van de kerk
ontstond rond 1260; tegen 1300 werd de koorpolygoon toegevoegd. Terwijl de in
1945 verwoeste kerk als ruïne is bewaard, werden de resten van het traditierijke
Graues Kloster een eliteschool (humanistisch gymnasium) opgeruimd. Het Graues
Kloster omvatte ook de eerste boekdrukkerij en zetterij van Berlijn, ingericht
door de Zwitserse alchemist Leonhard Thumeysser (15301596). Beroemde leerlingen
van het Graues Kloster waren o.m. de turnpionier Friedrich Ludwig Jahn, Otto v.
Bismarck, Gottfried Schadow, Karl Friedrich Schinkel en de filosoof Friedrich
Daniel Ernst Schleiermacher.
Französische Kirche
(Gendarmenmarkt; Mitte). De zaalbouw werd in 1701 door Louis Cayard en Abraham
Quesnay voor vanwege hun geloof uit Frankrijk gevluchte hugenoten gebouwd als
tegenwicht voor de eveneens aan de Gendarmenmarkt gelegen Duitse kerk
(verbouwing 1905). In de toren naast de kerk is het Hugenotenmuseum ingericht.
De toren werd net als de toren naast de Duitse kerk in 17801785 naar een ontwerp
van Carl v. Gontard gebouwd en heeft een klokkenspel en een uitkijkbalustrade.
Dorotheenstädtischer Friedhof, grafmonument voor
Bertolt Brecht
in 1766, 1798 en 1819 (aan de overzijde van het in 1739 gestichte
Dreifaltigkeitsfriedhof) uitgebreide begraafplaatsen van de
Dreifaltigkeitsgemeinde, de Jerusalem en Neuen Kirchengemeinde, de Böhmische en
de Brüdergemeinde met talrijke waardevolle grafmonumenten (overzichtskaarten bij
de ingang Mehringdamm) uit de periodes van de barok, het classicisme,
Biedermeier en Jugendstil, behoren tot de historisch belangrijkste
begraafplaatsen in Berlijn. De oudste graven, uit de tijd van Frederik de Grote,
bevinden zich in het noordoostelijke deel. Bijzonder zorgvuldig vorm gegeven
zijn vooral de Jugendstilgrafmonumenten voor de in 1899 overleden Emy Bennewitz
v. Loefen en de in 1895 overleden landschapschilder Karl Wilhelm Bennewitz v.
Loefen, het graf van de dichter Adelbert v. Chamisso (17811838) en zijn
echtgenote, het graf van de in 1835 overleden aartshertog Leopold Ferdinand van
Oostenrijk, het door Johann Gottfried Schadow ontworpen marmeren urmenmonument
voor de acteur Johann Friedrich Ferdinand Fleck (17371801), de urnengraven voor
de oorlogsminister van Frederik de Grote Leopold Otto v. Gaudi (11789) en zijn
dochter Marie v. Gaudi (17681786), het merkwaardige grafmonument voor de
architect David Gilly (17481808; waarschijnlijk door Gilly zelf ontworpen), een
granietstèle met marmeren portret voor de schrijver Adolf Glassbrenner
(18101876), het graf voor de componist en schilder E.T.A. Hoffmann (17761822),
een eenvoudige gedenksteen voor de bouwmeester van Frederik de Grote Georg
Wenzeslaus v. Knobelsdorff (16991753), de graven van de componist Felix
MendelssohnBartholdy (18091847), zijn ouders Abraham (17761835) en Lea
MendelssohnBartholdy en zijn in 1847 overleden zuster Fanny en haar echtgenoot,
het graf van een zekere in 1927 overleden Josefa Müller met een sculptuur `Das
Leid' van G. Eberlein en het door Joseph Uphues ontworpen hoge grafmonument voor
de organisator van de post en uitvinder van de briefkaart Heinrich v. Stephan
(18311897) met marmerfiguur, reliëf en smeedijzeren traliewerk.
Gendarmenmarkt
tot 1992 ook wel Platz der Akademie genoemd. De Gendarmenmarkt, zo genoemd naar
het wachtgebouw van het kurassiersregiment `Gens d'Armes', werd in 1950
omgedoopt in `Platz der Akademie'. Aanleiding voor deze naamswijzing was het
250jarig jubileum van de aan de oostzijde van het plein gelegen Deutsche
Akademie der Wissenschaften. Architectonisch wordt het barokke plein bepaald
door de Französische Kirche in het noorden en de Deutsche Kirche in het zuiden
(> Sacrale bouwwerken), beide door een toren geflankeerd, en het Schinkelsche
Schauspielhaus.
Schauspielhaus
In de jaren 18181821 richtte Karl Friedrich Schinkel het in zijn plattegrond
rechthoekige gebouw op, dat als een van zijn belangrijkste werken wordt
beschouwd, op de plaats van de in 1817 afgebrande voorganger van Carl Gotthard
Langhans de Oudere. Het beeldhouwwerk en de overige versiering vervaardigde
Christian Friedrich Tieck naar ontwerpen van Schinkel.
Grunewald
In het grote bosgebied Grunewald, gelegen in het westelijk stadsdeel Wilmersdorf,
bevindt zich het jachtslot Grunewald, nabij de Grunewaldsee. Het werd in 1542 in
renaissancestijl gebouwd voor keurvorst Joachim II, maar kreeg zijn huidige
uiterlijk in het begin van de 18de eeuw. Alleen de voorhal en de polygonale
trappetorens zijn onveranderd gebleven. Het slot is als museum ingericht (Duitse
en Nederlandse schilderkunst van de 15de tot de 19de eeuw, jachtwapens).
(oostelijk van de Havel, tussen de Heerstrasse in het N en Wannsee in het ZW).
De pas sinds de 19de eeuw ook in de ambtstaal gebruikte aanduiding Grunewald
(daarvoor Spandauer Forst) voor het ca. 3200 ha grote bos is terug te voeren op
keurvorst Joachim 11, die in 1542 (direct aan de Grunewaldsee) een > jachtslot
Grunewald (`Zum gruenen Wald') liet bouwen. Nog in de 19de eeuw was het het
jachtgebied van het Pruisische hof, maar aan het einde van die eeuw ontwikkelde
Grunewald zich tot een geliefd gebied voor uitstapjes en recreatie voor de
Berlijners. Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog en in de koude naoorlogse
winters (tot de Berlijnblokkade van 1948) verloor het bos bijna 70 procent van
zijn bomenbestand.
Interbau 1957
Tussen 1956 en 1968 ontstond een groot aantal bouwwerken ter gelegenheid van de
grote internationale bouwmanifestatie Interbau 1957, die in Berlijn plaatsvond.
Toen werd door 48 architecten uit dertien landen, onder wie W. Gropius, A. Aalto,
O. Niemeyer, J.H. van den Broek en J.B. Bakema, de modelwoonwijk Hansaviertel (Altonaerstrasse/Bartningstrasse;
stadsdeel Tiergarten) gerealiseerd. Het complex omvat alle typen woonhuizen, van
eengezinshuis tot torenflat, twee kerken, een school, winkels enz. De namen van
de architecten zijn op de gebouwen aangebracht. De Zwitserse architect Le
Corbusier ontwierp voor Interbau 1957 een flatgebouw, het CorbusierHochhaus (Reichssportfeldstrasse;
stadsdeel Charlottenburg). Het op betonnen pijlers rustende, 56 m hoge bouwwerk,
dat zeventien verdiepingen telt, omvat 530 wooneenheden. Er wonen 1400 mensen.
Als Amerikaanse bijdrage bouwde Hugh A. Stubbin de Kongresshalle (JohnFosterDallesAllee;
stadsdeel Tiergarten). Op een rechthoekige onderbouw, waarin o.m.
conferentieruimten, een studiotheater, een restaurant en een tentoonstellingshal
zijn ondergebracht, verheft zich de ovale congreszaal, die plaats biedt aan 1300
personen. Aan het opvallende, ver overstekende schaalvormige dak heeft het
gebouw de bijnaam Schwangere Auster (zwangere oester) te danken.
Invalidenfriedhof
(Schamhorststr.; Mitte). De sterk verwaarloosde begraafplaats werd in 1748 voor
de ingezetenen van het nabijgelegen Invalidenhaus en vooroorlogsslachtoffers
aangelegd, maar kreeg snel de functie van een gedenkplaats voor veelvuldig
onderscheiden officieren. Het belangrijkste monument is dat van de Pruisische
generaal en legerhervormer Gerhard Johann David v. Scharnhorst (11813),
ontworpen door Karl Friedrich Schinkel.
Kaiser Wilhelm Gedächtniskirche
(Breidscheidplatz am Zoo; stadsdeel Charlottenburg). De kerk werd in 18911895
gebouwd door F. Schwechten. Na de Tweede Wereldoorlog was van de kerk slechts de
ruïne van de westtoren (63 m) over. Op verzoek van de Berlijners bleef deze
ruïne staan. Ernaast bouwde E. Eiermann in 19611963 een nieuwe kerk: een
octogoon van blauwe glazen stenen en een 53 m hoge toren van hetzelfde
materiaal. In de oude toren is nog altijd een merkwaardig wandmozaïek te zien
uit de bouwtijd: naar voorbeeld van de beroemde 6deeeuwse mozaieken in Ravenna
zijn hier keizer Wilhelm II en zijn familie in vol ornaat en levensgroot
uitgebeeld.
Karl Marx Allee
De ca. 2 km lange KarlMarxAllee heette oorspronkelijk Grosse Frankfurter
Str.lFrankfurter Allee, en tot 1961 Stalinallee. Zij gold als de `eerste
socialistische straat' van Berlijn en weerspiegelt in haar bebouwing de
verandering van de officiële architectuurstijl van het tijdperk Stalin en de daaropvolgende periode onder Chroetsjov (functioneel).
Flatgebouwen uit de periode 19591965 bevinden zich tussen Alexander en
Strausberger Platz. Aan de Strausberger Platz en verder oostelijk staan gebouwen
uit het Stalintijdperk. De huizen ten zuiden van de allee dicht bij het
metrostation Marchlewskistr. dateren nog uit de tijd rond 1949, en zijn deels
gepland door Hans Scharoun.
Komische Oper voormalig Metropoltheater
(Behrenstr. 5557; Mitte). De in 18911892 door de Weense architect Ferdinand
Fellner als Theater unter den Linden gebouwde schouwburg bereikte onder de naam
Metropoltheater wereldroem als operettepodium. Terwijl het interieur (toeschouwersruimte)
grotendeels in zijn oorspronkelijke vorm bewaard is gebleven, werden grote delen
van het in de Tweede Wereldoorlog deels verwoeste exterieur veranderd
(19661967).
Lustgarten
(Mitte). Rond de Lustgarten (van 1951 tot 1992 nog de Marx – Engels Platz
geheten), de oostelijke afsluiting van de pronkstraat Unter den Linden, liggen
de dom (> Sacrale bouwwerken), de Schinkelsche Granitschale en het Alte Museum
(> Musea). Tot 1951 droeg het plein de naam Schlossplatz, genoemd naar het
Berliner Stadtschloss, de residentie van de Pruisische koningen en de Duitse
keizers uit het Huis Hohenzollem. Het in de Tweede Wereldoorlog zwaar
beschadigde gebouw (192 x 116 m), een van de hoofdwerken van de Noordduitse
barok, werd in 19501951 opgeblazen en afgebroken; in zijn plaats werd het Palast
der Republik (19731976) gebouwd. Een kopie van het slotportaal, vanwaaruit Karl
Liebknecht tijdens de Novemberrevolutie in 1918 de Socialistische Republiek
uitriep, bevindt zich tegen de noordgevel van het in 19621964 gebouwde
voonnalige Gebäude des Staatsrats der DDR.
Marienkirche
(KarlLiebknechtStrassel Nette Markt; Mitte). De Mariakerk, een driebeukige
hallenkerk in de stijl van de Noordduitse baksteengotiek, behoort tot de oudere
bewaard gebleven kerken van Berlijn. Aan de bestaande bouw werd als tweede
parochiekerk (naast de Nikolaikirche) rond 1270 begonnen. In 1294 wordt de kerk
voor het eerst in documenten genoemd (vermoedelijk voltooiing van het koor); zij
was toentertijd het middelpunt van de Neue Markt, waar zich de Berlijnse locatie
voor de openbare terechtstellingen bevond. Bij de wederopbouw na de brand van
1380 werden grote delen van de vroeggotische hal opnieuw gebruikt (schipmuren).
De westtoren werd pas in de 16de eeuw voltooid en kreeg in 17891790 zijn
neogotische bekroning naar een ontwerp van Carl Gotthard Langhans de Oudere.
Opmerkelijk is vooral de rijke inrichting: het pas in 1860 blootgelegde
'Dodendans' fesco in de torenhal het stelt in 28 scènes de dood voor met
vertegenwoordigers van de verschillende standen ontstond rond 1485 in samenhang
met een pestepidemie en geldt als belangrijkste voorbeeld van een middeleeuwse
voorstelling met dit thema in NoordDuitsland en als hoofdwerk van de Nederduits
beïnvloede laatgotische muurschilderkunst in Berlijn. Het oudste stuk is het uit
1437 daterende bronren doopvont in het koor, vermoedelijk een werk van Hinrik v.
Magdeburg. Als belangrijkste werk van de inrichting wordt de barokkansel van
Andreas Schlüter (1703) beschouwd. Verder talrijke schilderijen, grafstenen,
waaronder het belangrijke grafmonument (1662) van de Brandenburgse
generaalveldmaarschalk graaf Otto v. Sparr, een werk van de Nederlander Artus
Quellinus. Het kalksteenkruis (kopie uit de 18de eeuw) voor het hoofdportaal is
het verzoeningskruis voor de moord op proost Nikolaus v. Bernau in 1325.
Musea
Door de pas na de deling van de stad plaatsgevonden terugkeer van de in de
oorlog opgeslagen kunstschatten, is het tot een verdubbeling van de Berlijnse
museainstituten gekomen. Het ligt in de bedoeling het volledige museumbestand
opnieuw te ordenen, zodat in de toekomst met een geheel andere verdeling van de
kunstschatten over de stad gerekend moet worden. Vooralsnog zijn in Berlijn vier
museumconcentraties te onderscheiden, te weten op de Museuminsel in BerlinMitte,
in het stadsdeel Dahlem, in en nabij het slot.
Charlottenburg en rond de Philharmonie Museuminsel
De oudste en traditierijkste plek is de Museuminsel in de binnenstad ten noorden
van de Lustgarten. Het in 18241828 door Karl Friedrich Schinkel gebouwde en in
1830 geopende Altes Museum (prentenkabinet, tekeningen en afdeling 20ste eeuw
van de Alte Nationalgalerie) is naast de Glypothek in München het oudste museum
in Duitsland en tegelijkertijd een van de belangrijkste bouwwerken van het
classicisme. Het Neues Museum dat in 18431855 naar ontwerpen van August Stüler
verrees, was sinds de Tweede Wereldoorlog een ruïne (vanaf 1986 herbouw). De
Alte Nationalgalerie, eveneens naar plannen van Stiller in 18661876 door Johann
Heinrich Strack gebouwd, bezit schilderijen en sculpturen uit de 19de eeuw uit
Europese landen. In het in 19131930 door Ludwig Hoffmann naar een ontwerp van
Alfred Messel gebouwde PergamonMuseum pronkstuk is het Zeusaltaar van Pergamon
zijn de verzameling antieke kunst, het Museum für Volk'skunde, het
Vorderasiatisches Museum, het Islamisches Museum en de Oostaziatische collectie
ondergebracht. Het Bodemuseum op de punt van de Spreeinsel, dat naar de
kunsthistoricus Wilhelm von Bode is genoemd, werd in 18971904 door Ernst von
Ihne in de stijl van de Wilhelminische barok gebouwd en omvat thans het
Ägyptisches Museum, de papyruscollectie, de vroegchristelijkByzantijnse
collectie, de sculptuurverzameling, de schilderijengalerie, het muntenkabinet en
het Museum für Ur und Frühgeschichte.
Neue Synagoge
(Oranienburger Strasse 2930; centrum). Naar de plannen van Eduard Knoblauch werd
in 18591866 in Moorse stijl de Neue Synagoge gebouwd. In 1938 werd het bouwwerk
tijdens de Kristallnacht verwoest, en in de Tweede Wereldoorlog door bommen
opnieuw beschadigd. Thans is hier het Jüdisches Museum gevestigd.
Neue Wache
(Unter den Linden). Tussen de Humboldtuniversiteit en het arsenaal ligt in het
zgn. Kastanienwäldchen speelplaats van de kinderen van Bettina v. Armm, volgens
Christian Morgenstern de `liefste plek' in Berlijn de van binnen tot een
herdenkingsmonument omgevormde (19601969) Neue Wache, die in 18161818 door Karl
Friedrich Schinkel als Königswache werd gebouwd en een hoofdwerk van hét
Berlijnse classicisme vormde. Het bouwwerk is als een Romeins castrum
vormgegeven; voor de hoofdgevel is een Dorische zuilenporticus geplaatst.
Nikolaikirche
(Am Molkenmarkt; Mitte). De rond 1230 in de tijd dat Berlijn stadsrechten
ontving uit granietblokken opgebouwde oudste kerk van Berlijn werd na diverse
verbouwingen tijdens de Tweede Wereldoorlog verwoest en weer opgebouwd in de
periode 19791987. Thans wordt de kerk gebruikt als onderkomen voor het Märkische
Museum (o.m. tentoonstellingen over de Berlijnse stadsgeschiedenis 13de17de
eeuw). Van de oorspronkelijke bouw, een driebeukige pijlerbasilica, is de
onderbouw van de twee westtorens bewaard gebleven. De bijzonder rijke inrichting
werd over de Mariakerk, vroegere Westberlijnse kerken en het Märkische Museum
verdeeld. De evangelische kerklieddichter Paul Gerhardt (`0 Haupt voll Blut und
Wunden') was van 1657 tot aan zijn ontslag vanwege een conflict met de Grote
Keurvorst in 1667 diaken van de Nikolaikirche.
Slot Bellevue
(Tiergarten). Het slot werd als zomerpaleis gebouwd voor prins August Ferdinand,
de jongste broer van Frederik de Grote, in 1785. Na de Tweede Wereldoorlog was
het een ruïne. Het exterieur werd in 1959 in de oorspronkelijke stijl herbouwd.
Het fraaie park is voor het publiek toegankelijk.
Slot Charlottenburg
(Spandauer Datum). Het slot werd gebouwd als buitenpaleis voor Sophie Charlotte,
echtgenote van koning Frederik 1. Met de bouw werd in 1695 begonnen, naar een
ontwerp van Arnold Nering. In 1699 was het middengedeelte gereed. De Zweed
Eosander v. Göthe, die daarna de leiding overnam, voorzag het middengedeelte van
een tamboer met koepel (bekroond door de figuur van Fortuna) en bouwde de
westvleugel, de Orangerie. In 1713, na Frederiks dood, werd de bouw stopgezet.
In 1740 gaf Frederik de Grote zijn architect G.W. von Knobelsdorff de opdracht
de bouw te voltooien. Deze voorzag de oostzijde van een pendant van de Orangerie.
In 17881790 werd onder Friedrich Wilhelm II door C.G. Langhans aan het eind van
de westvleugel een theater gebouwd (thans Museum für Vor und Frühgeschichte.
De historische ruimten van het slot zijn onder leiding te bezichtigen. Bijzonder
interessant zijn de zgn. Goldene Galerie in de Knobelsdorffvleugel en de
collectie Franse 18deeeuwse schilderijen (Watteau, Lancret, Chardin, Pestte),
door Frederik de Grote aangelegd. In het slotpark liggen: het Sehinkelpaviljoen,
in 1825 door K.F. Schinkel gebouwd als zomerwoning voor Friedrich Wilhelm 111
(schilderijen van o.a. Caspar David Friedrich, beeldhouwwerken, meubels); het
Belvédère, in 1788 door Langhans gebouwd als theehuis (Berlijns porselein van
rococo tot Biedermeier); en het Mausoleum, in 1810 door H. Gentz gebouwd voor
koningin Luise (sarcofagen, beelden).
Op het slotplein staat het reusachtige ruiterstandbeeld van de Grote Keurvorst,
ontworpen door de architectbeeldhouwer Andreas Schlüter, en in 1700 gegoten. Het
stond vroeger voor het Stadtschloss aan de Sprec, dat in 1945 vrijwel geheel
uitbrandde en in 1950 door de Russen werd opgeblazen.
Slot Köpenick Kunstgewerbemuseum
(Schlossinsel; Köpenick). Op de zuidelijke punt van de Köpenicker Altstadtinsel
ligt het slot Köpenick, het belangrijkste profane barokgebouw van de mark
Brandenburg uit de tijd voor Andreas Schlüter. In het kleurig gepleisterde
bouwwerk is sinds 1963 het belangrijke Kunstgewerbemuseum ondergebracht met als
zwaartepunt meubels, een unieke verzameling in Duitsland. Op de Köpenicker
Schlossinsel was al in de prehistorie een nederzetting; in de Slavische tijd
werd deze door een burchtwal beveiligd. Op de plaats van het latere slot stond
vanaf het midden van de 13de eeuw een Askanische burcht, die onder keurvorst
Joachim II door Wilhelm Zacharias tot een keurvorstelijk jachtslot in
renaissancestijl werd verbouwd (na 1571 voltooid). Keurprins Friedrich III, de
latere eerste koning in Pruisen, plande een barok complex van drie vleugels,
waarvan tot 1705 de drie verdiepingen hoge vleugel aan de Dahmeoever en de
vleugel waar de huishoudelijke diensten waren ondergebracht met de slotkapel
werden voltooid: de architecten waren Rutger van Langevelt (woonvleugel, huidige
slot; 16771681) en Johann Arnold Nering (slotkapel; 16821685). Binnen bevindt
zich een fraaie wapenzaal.
In het slot Köpenick hield in 1730 de krijgsraad, die over kroonprins Frederik
de Grote en zijn vriend luitenant v. Katte moest oordelen, zijn zittingen (Katte
werd terechtgesteld). In oktober 1760 werd Köpenick tijdens de Zevenjarige
Oorlog door de Russen geplunderd.
Slot Niederschönhausen
(Ossietzkystr.; PankowNiederschönhausen). In de jaren zestig van de 17de eeuw
werd het slot als landgoed van gravin Dohna gebouwd. Het slot werd verbouwd rond
1700 door Johann Arnold Nering en in 1704 nogmaals door Johann Friedrich
Eosander v. Göthe tot een representatief drievleugelcomplex.
Pfaueninsel.
Op het `pauweneiland', een eiland in de Havel dat beschermd natuurgebied is,
ligt Schloss Pfaueninsel. Het werd in 1796 als kunstmatige ruïne volgens de
smaak van die tijd gebouwd door hoftim mermeester Brendel uit Potsdam voor
koning Friedrich Wilhelm II en zijn geliefde, gravin Lichtenau. De inrichting
dateert uit 17951830. Fraai is vooral de decoratie in de grote bovenzaal, die
geheel betimmerd is met kostbare inheemse houtsoorten in verschillende
kleurschakeringen. De plafondschilderingen, mythologische scènes voorstellend,
zijn van J.C. Frisch. Op het eiland liggen voorts: o.a. het Kavaliershaus
(1804), dat in 1826 door Schinkel werd voorzien van een gevel, afkomstig van een
laatgotisch patriciërshuis in Danzig, de Meierei, die tegelijk met het slot door
Brendel werd gebouwd, eveneens in de vorm van een ruïne (gedecoreerd door Ph.G.
Sartori, stucwerk, en B. Verona, schilderingen); en,de gedachtenistempel voor
koningin Luise, met het oorspronkelijke zandstenen front van het mausoleum in
Charlottenburg.
Spandau
De Nikolaikirche is een driebeukige hallenkerk met kooromgang (eind 14de eeuw).
De machtige toren werd in 1468 voltooid. Het 8 m hoge altaar, in beschilderd
kalksteen en stucwerk is een pronkstuk in late renaissancestijl (eind 16de
eeuw). Familiegraf van Rochus, Graf zu Lynar (j 1596). Bronzen doopvont uit
1398. Uit hout gesneden kruisigingsgroep uit 1540. Vergelijkbare dorpskerken of
kleinsteedse parochiekerken zijn er in vele delen van Berlijn in Steglitz,
Zehlendorf, Schöneberg, Lichterfeld, Rudow, Britz, bij de Stölpchensee en in
Lübars, om maar enkele stadsdelen te noemen.
Noemenswaardig zijn ook de uit natuursteen opgebouwde dorpskerken uit de 13de en
14de eeuw in Blankenburg, Blankenjèlde, Lichtenberg en Mahlsdorf. Enkele laten
romaanse vormen zien (Karow) of bezitten een aanzienlijke historische inrichting
(Hohenschönhausen, Stralau). Deels staan ze nog goed bewaard op het
oorspronkelijke dorpsplein, maar ze hebben meestal voor de 19de eeuw
karakteristieke veranderingen ondergaan, zoals in 'Pankou, waar F.A. Stiller in
18581859 aan de middeleeuwse dorpskerk twee statige neogotische torens heeft
toegevoegd.
In het westelijk stadsdeel Spandan ligt de Citadel Spandau, na 1560 voor Joachim
11 door Italianen gebouwd, op de plaats waar eerst een waterburcht stond. In
1594 werd de bouw voltooid door Rochus, Graf zu Lynar. Het oudst bewaard
gebleven deel is de Juliusturm uit het begin van de 14de eeuw. Het bakstenen
voormalige casin, nog vóór de citadel ca. 1520 gebouwd, is als museum voor
stadsgeschiedenis ingericht. De citadel is deels te bezichtigen.
Tegel
Schloss Tegel of Humboldtschlösschen (Adelheidallee; Tegel) was oorspronkelijk
een landhuis uit ca. 1550. In 18211824 verbouwde Schinkel het voor de geleerde
en staatsman Wilhelm von Humboldt, wiens familie het in 1766 in bezit had
gekregen. Het classicistische bouwwerk van twee verdiepingen heeft vier
hoektorens, voorzien van reliëfs met voorstellingen van de windgoden. In de
woonvertrekken zijn oude meubels en familieportretten te zien, alsmede een
belangrijke collectie antieke beelden (deels kopieën), door von Humboldt
verzameld. Aan de rand van het slotpark ligt het in 1829 door Schinkel voor von
Humboldts vrouw gebouwde mausoleum. Op een hoge zuil staat een kopie van een
beeld, voorstellend de Hoop, van Thorwaldsen. Wilhelm von Humboldt zelf en vele
van zijn familieleden liggen hier op de begraafplaats.
Tempelhof
De dorpskerk Tempelhof (voor 1250) had een laatgotische absis, die echter na
oorlogsschade in romaanse stijl is herbouwd. De kerk herbergt een fraai
vleugelaltaar. De oudste kerk van Berlijn is de kerk Marienfelde (ca. 1220), in
laatromaanse stijl. Zij is in de 14de en 15de eeuw vergroot.
Tiergarten met Grosser Stern
(Tiergarten). De Tiergarten de hier liggende belangrijkste bezienswaardigheden
zijn het Schloss Bellevue, de Siegessäule op de Grosser Stem en de congreshal
was oorspronkelijk keurvorstelijk jachtgebied. Vanaf 1717 werd het park voor
alle Berlijners opengesteld. In twintig jaar tijd was het voor de stadspoorten
liggende groengebied uitgegroeid tot een parkaanleg in de stijl van de barok,
met de Grosser Stem als centrum waar alle lanen zich kruisen. Peter Joseph Lenné
veranderde in 18331839 de Tiergarten deels, waarbij hij zich op de Engelse
landschapsarchitectuur oriënteerde en zich een beeldende werking ten doel
stelde. Vanaf het midden van de 19de eeuw werden monumenten met een
patriottische betekenis geplaatst, waaronder de Siegessäule en de 32
standbeelden bij de Siegessäule met beelden van de vorsten van Brandenburg en
Pruisen, waarbij naast elk van de vorsten twee in zijn tijd belangrijke mannen
staan. In 1947 werden in opdracht van de overwinningsmacht de beelden die de
oorlog hadden overleefd, verwijderd. Op de Grosser Stem staat de Siegessäule,
een 69 m hoge zuil die herinnert aan de Duitse overwinningen in 1864, 1866 en
18701871. De zuil is in 18691873 gebouwd naar een ontwerp van Heinrich Strack,
en wordt bekroond door een 8,3 m hoog verguld beeld van de godin Victoria (1873;
ontwerp van Friedrich Drake). Op de Crosser Stern en in de Tiergarten bevinden
zich vele monumenten, waaronder het nationale monument voor Otto v. Bismarck van
Reinhold Begas (1901) en het monument voor de generaalveldmaarschalk Helmuth v.
Moltke van Joseph Uphues (1904).
Unter den Linden
De zich tussen de Brandenburger Tor en Lustgarten uitstrekkende pronkstraat
Unter den Linden is sinds minstens 250 jaar een van de etalages van Berlijn en
geldt als de mooiste straat van de vroegere rijkshoofdstad. De Grote Keurvorst
Friedrich Wilhelm liet in 1647 de weg tussen Tiergaréen en Hundebrücke (Schlossbrücke)
met zes rijen linde en notebomen beplanten, die echter krap tien jaar later
vanwege het nieuwe verdedigingssysteem weer werden omgehakt. Toen Friedrich
Wilhelm in 1674 de naar zijn tweede echtgenote genoemde Dorotheenstadt voor de
Neustädtischer Tor stadsrechten verleende, werd de door zes rijen lindebomen
geflankeerde laan de hoofdstraat van deze vierde stedelijke nederzetting aan de
Spree. Zuidelijk van Unter den Linden ontstond vanaf 1688 de Friedrichstadt. De
uitbreiding tot pronkstraat begon onder Frederik de Grote in 1742 met de opening
van het Opernhaus Unter den Linden. Het operagebouw was het eerste gebouw van
het door de koning en Georg Wenzeslaus v. Knobelsdorff geplande Forum
Fridericianum (Bebelplátz), een breed, representatief plein. De oorlogen die
Frederik tot 1763 voerde, vertraagden de uitbreiding: pas rond 1780 was het
forum met Hedwigskirche, bibliotheek, Prinz Heinrich Palais bijna voltooid.
Villa Wannsee
In 1992 in gebruik genomen als `Centrale gedenkplaats en documentatiecentrum van
de Holocaust'. In deze villa vond in 1942 de Wannseeconferentie plaats over de
uitroeiing van de joden in Europa.
Volkspark Friedrichshain
(Friedrichshain). De Friedrichshain was het eerste `volkspark' in
Berlijn. Peter Joseph Lenné ontwierp in 18461848 het westelijke deel, Johann
Gustav Meyer in 18741876 het oostelijke deel. De belangrijkste
bezienswaardigheid is de naar plannen van Ludwig Hoffmann in 1913 aangelegde
Märchenbrunnen met sprookjessculpturen van Ignatius Taschner.
Wannsee Strandbad
(Wannseebadweg; ZehlendorfNikolassee). Het aan de oostelijke oever van de
Crosser Wannsee gelegen en in 1907 geopende strandbad is met zijn 80 m brede en
ca. 1300 m lange zandstrand en grotendeels in de periode 19291930 ontstane
bouwwerken als grootste Europese binnenmeerbad een van de meest geliefde
ontspanningsoorden voor de inwoners van Berlijn.
Zehlendorf
In het westelijk stadsdeel Zehlendorf, waar de Havel een aantal meren heeft
gevormd, waaronder de bij de Berlijners zeer geliefde Wannsee, ligt het
volkspark KleinGlienicke. De Königstrasse, die er in het zuiden langs loopt,
komt uit op de Glienicker Brücke (1907). Midden over de brug, waar een aantal
uitwisselingen van gevangenen tussen Oost en West heeft plaatsgevonden, liep de
vroegere grens tussen West en OostBerlijn. Aan weerszijden van de Königstrasse
ligt een complex van classicistischromantische bouwwerken. Het gebied was
eertijds zomerresidentie van prins Karl van Pruisen, een broer van keizer
Wilhelm 1. Het slot KleinGlienicke (alleen van buiten te bezichtigen) is een
door K.F. Schinkel in 1827 tot zomerpaleis verbouwd landgoed. Het winterpaleis,
het jachtslot Glienicke, gaat terug op een in 1682 voor de Grote Keurvorst
gebouwd jachtslot. Het kreeg in 1889 zijn huidige vorm (niette bezichtigen). Aan
de oostzijde van het volkspark ligt het Blockhaus Nikolskoe (thans restaurant).
Het werd in 1819 in opdracht van Friedrich Wilhelm III gebouwd voor zijn dochter
Charlotte, die gehuwd was met de grootvorst, later tsaar Nicolaas I, van
Rusland. De nabijgelegen kerk St. Peter und Paul werd in 1837 in Russische stijl
gebouwd door A. Stüler en A.D. Schadow en heeft een uivormige koepel.
Zentralfriedhof
(Gudrunstr.; LichtenbergFriedrichsfelde). Op de in 1881 aangelegde begraafplaats
worden traditiegetrouw prominente vertegenwoordigers van de politieke
linkervleugel bijgezet, maar niet alleen uit de politiek zelf: Käthe Kollwitz
(11945) rust hier net als haar collega Otto Nagel (j 1967). Dicht bij de
hoofdingang bevindt zich de `Gedenkstätte der Sozialisten' dat in 1951 door een
collectief werd ontworpen. Het in 1926 onthulde gedenkteken van Mies van der
Rohe voor de in 1919 vermoorde Rosa Luxemburg en Karl Liefknecht werd in 1934
verwoest.
Zeughaus
(Unter den Linden). Het twee verdiepingen hoge complex van vier vleugels
begonnen in 1695 door Arnold Nering, voortgezet door Martin Grünberg en Andreas
Schlüter, in 1706 voltooid door Jan de Bodt was het eerste monumentale bouwwerk
van het koninkrijk Pruisen en is tegelijkertijd het belangrijkste barokgebouw
van Berlijn. Het gaat bij dit eerste pronkgebouw van het jonge koninkrijk om een
militair bouwwerk dat diende als wapenarsenaal en oorlogsmagazijn. Hier was het
in 1952 gestichte Museum für Deutsche Geschichte ondergebracht (met voorwerpen
vanaf 1789). Van groot belang is de door Andreas Schlüter vormgegeven
sculptuurdecoratie van de vierkante binnenplaats met de 22 maskers van stervende
strijders, een allegorie op de dood op het slagveld.
Zoologischer Garten
(Zoo; Tiergarten). De Berlijnse dierentuin (geopend 1844) behoort tot de
belangrijkste en grootste ter wereld. Er zijn 10 000 dieren gehuisvest. Het
vogelhuis is het grootste in Europa. Het aquarium, drie verdiepingen hoog,
herbergt een van de omvangrijkste verzamelingen op dit gebied ter wereld.
DE GESCHIEDENIS VAN HET RIJKSDAGGEBOUW
Misschien als geen ander gebouw in Duitsland staat het Rijksdaggebouw in Berlijn
symbool voor het lot van de democratie in Duitsland.
Het woord "Rijksdag" stond tot 1945 ook voor het toenmalige Duitse parlement,
dat na de oorlog "Bundestag" (in WestDuitsland en in het huidige verenigde
Duitsland) en "Volkskammer" (in OostDuitsland) genoemd werd.
Ten tijde van het ontstaan van de Reichstag waren de machthebbers allesbehalve
democratisch gezind. De grondwet bepaalde dat de volksvertegenwoordigers van de
Rijksdag vrijwel geen echte macht konden uitoefenen. De regering en de
rijkskanselier (in het begin Bismarck) waren alleen verantwoording verschuldigd
aan de keizer. Het parlement van het relatief jonge keizerrijk kende eerst
diverse noodhuisvestingen.
Uiteindelijk gunde keizer Wilhelm I. het in 1884 een eigen gebouw, zij het
buiten de toenmalige stadsgrenzen. De architect, Paul Wallot, moest voortdurend
concessies doen aan de persoonlijke wensen van de keizer.
In 1894 werd het gebouw tijdens een plechtige ceremonie in aanwezigheid van de
nieuwe keizer Wilhelm II. en talrijke geüniformeerde vertegenwoordigers van het
door Pruisisch gedachtegoed gedomineerde keizerrijk geopend. Maar door de
toegenomen invloed van het parlement verscheen in 1916 toch nog de inscriptie
boven de hoofdingang, die de architekt al bij de bouw gepland had: "Dem
Deutschen Volke" ("Aan het Duitse volk").
Ten tijde van de Weimarer Republik werd het parlement voor het eerst
democratisch gekozen, maar na de verkiezingen van 1932 werd de NSDAP, de partij
van Adolf Hitler, de grootste partij. Al snel verschenen de "bruinhemden", de
aanhangers van Hitler, in hun uniformen in de plenaire zaal en deinsden er niet
voor terug hun tegenstanders te intimideren en met geweld te verjagen.
In 1933, enkele weken na de machtsovername door Adolf Hitler brandde de plenaire
zaal van het Rijksdaggebouw volledig uit. De brand was aangesticht door een
jonge Nederlandse communist: Marinus van der Lubbe. Nog steeds onduidelijk is of
hij de brand alleen aanstak, of dat Nazi's hem hierbij geholpen hebben. Dit
laatste ligt volgens velen voor de hand, omdat Hitler de brand dankbaar aangreep
om parlementsleden die hij als tegenstanders beschouwde op te laten pakken. Van
der Lubbe werd geëxecuteerd.
In de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw niet gebruikt, of het moet het
luchtafweergeschut zijn dat men op de hoektorens aanbracht. In 1945 veroverden
Russische soldaten Berlijn en beschoten het Rijksdaggebouw met een grote
hoeveelheid granaten en hezen als teken van de overwinning de rode Sowjetvlag op
het dak van de ruïne.
Ten tijde van de Koude Oorlog werd het gebouw in het begin niet gebruikt. De
koepel werd opgeblazen wegens instortingsgevaar. Het gebouw stond net in het
gebied van de Westerse geallieerden. De WestDuitse politici besloten het weer op
te bouwen in de hoop dat het ooit weer het parlementsgebouw van het verenigde
Duitsland zou kunnen worden. In september 1948 protesteerden ca. 350.000
inwoners van Berlijn tegen de luchtblokkade van de stad. In een toespraak
richtte de burgemeester van de stad, Ernst Reuter, zich tot de wereld met de
uitspraak: "Völker der Welt, schaut auf diese Stadt!".
Van 1961 - 1973 herstelde architect Paul Baumgarten het gebouw, zij het zonder
de typische glazen koepel. Ook haalde hij allerlei oorspronkelijke versieringen
weg. Hoewel er een plenaire zaal aanwezig was, vergaderde de Westduitse
Bundestag hier maar hoogst zelden. Jaren lang bood het gebouw plaats aan de
tentoonstelling van het Duitse parlement: "Fragen an die Deutsche Geschichte".
In 1992 besloot de Bundestag dat Berlijn weer hoofdstad en regeringszetel van
het verenigde Duitsland zou worden. Dit betekende ook dat het parlement zou
verhuizen van Bonn naar Berlijn.
Kort voor de verbouwingen, in de zomer van 1995, mocht de HongaarsAmerikaanse
kunstenaar Christo na 20 jaar touwtrekken zijn plan om het gebouw "in te pakken"
in een soort zilverkleurig doek uitvoeren. Sommigen vonden deze manier van kunst
de geschiedenis onwaardig, anderen zagen er een soort afsluiting met het
verleden en een symbool van het nieuwe, herenigde Duitsland in. Het trok in elk
geval vijf miljoen bezoekers naar de nieuwe hoofdstad.
Voor de verhuizing van het parlement naar de Rijksdag moest het gebouw drastisch
verbouwd worden. De Britse architekt Sir Norman Foster won de race voor de
verbouwing, die 600 miljoen Mark zou gaan kosten. Door diverse constructies
bracht hij binnen meer daglicht dan ooit in het gebouw. Alleen de buitenmuren
bleven staan.
Ook hij had soms last van een eigenzinnige bouwmeester; ditmaal niet meer de
keizer maar de bouwcommissie van het parlement. Die eiste een koepel op het
gebouw. Ook binnen moest Sir Foster soms beslissingen dulden. Zo hangt er in de
plenaire zaal een uitvergrote versie van de Duitse adelaar, die ook al in de
plenaire zaal in Bonn ophing, in de volksmond de "Fette Henne" genoemd. Deze
adelaar, die duidelijk vriendelijker overkomt dan menige voorganger, werd in de
loop der jaren het symbool van een vreedzaam Duitsland. Op 19 april 1999 werd
het vernieuwde Rijksdaggebouw officieel in gebruik genomen. Vanaf september 1999
zal de Bundestag er standaard vergaderen.

|