|
|
|
|
|
Dit is een aflevering
uit de reissite van Jos en Clim Schmitz
|
![]()
|
|
|
Dit web behoort bij een serie landen die we tijdens een Balkanreis in 2009 bezochten.
|
![]() |
|
|
Ga ook naar onze andere websites: tientallen landen, honderden verhalen, duizenden foto's! Werelderfgoed Unesco |
LINKS
montenegro.startpagina.nl
/
servie-montenegro.info-pagina.com /
Montenegro
BBC /
Visit Montenegro

Bekijk ook onze video:
Het land van de zwarte bergen
Azuurkust, canyons en werelderfgoed op een oppervlakte niet
groter dan Vlaanderen.
Crna Gora (Zwarte Berg) oftewel Montenegro is een nieuw
vakantieland anno 2009.
|
Vele mogelijkheden Stel je voor: op een oppervlakte niet eens de helft van Nederland vind je de Côte d’ Azur, de Alpen, het IJsselmeer, Venetië zonder water, vier Nationale Parken en de Grand Canyon bij elkaar. En dat alles begeleid door oude kathedralen en stadskernen (bijvoorbeeld in de voormalige hoofdstad Cetinje), kiwi's, olijven, palmen, cipressen, oleanders en andere exotica. Je kunt in Montenegro lui aan het strand liggen, maar als je de auto pakt kun je binnen anderhalf uur bergwandelen of skiën in de woeste schoonheid van het binnenland. Mediterrane fjord
|
|
Slide show van Montenegro
MEER INFO
MONTENEGRO
Algemeen
De republiek Montenegro (Servo-Kroatisch: Crne Gora = zwart gebergte) maakt deel
uit van de Balkan in het zuidoosten van Europa. Het land heeft een oppervlakte
van 13.812 km2 en is daarmee bijna half zo groot als België. Montenegro grenst
in het zuidwesten aan de Adriatische Zee (293,5 km, waarvan 73 km strand), in
het westen aan Kroatië (14 km), in het noordwesten aan Bosnië-Herzegovina (225
km), in het noordoosten aan Servië (203 km) en in het zuidoosten aan Albanië
(172 km). De totale lengte van de Montenegrijnse grenzen bedraagt ca. 614 km.

Landschap
Het landschap van Servië en Montenegro is zeer gevarieerd maar over het algemeen
is het een uitgesproken bergachtig land. 60,5% van haar grondgebied ligt boven
de 1000 m. In het noorden komen zacht glooiende vruchtbare vlakten voor; in het
oosten en zuidoosten bergketens en in het zuidwesten zeer hoge kustlijnen; de
Boka Kotorska is wordt zelfs het meest zuidelijke 'fjord' van Europa genoemd. De
smalle kustvlakte bestaat uit zand- en kiezelstranden, baaien, maar ook de Boka
Kotorska ligt hier, ook wel genoemd ‘het meest zuidelijke fjord van Europa’.
Naar het zuiden wordt de kust onderverdeeld in de zogenaamde ‘rivièra’s’:
De Kotor Riviera telt verschillende soorten stranden en is bedekt met een mediterrane vegetatie.
De Tivat Riviera telt in totaal zeventien stranden en voor de kust liggen drie eilanden, waaronder het bloemeneiland St. Marko en het Lady of Mercy eiland.
De Budva Riviera telt veel inhammen met de beste zandstranden van Montenegro, omringd door hoge rotswanden.
De Ulcinj Riviera eindigt bij de monding van de Bojona, die uitmondt in de Adriatische Zee. Dit gedeelte van kust telt 18 inhammen, maar ook twee schiereilanden, Marjan en Mandra met veel subtropische vegetatie.
In het noorden van Montenegro ligt een groot karstgebergte, het Durmitor-massief
(tevens Nationaal Park), met de hoogste bergtop van het land, de 2522 m hoge
Bobotov kuk. De gemiddelde hoogte van het Durmitor-massief bedraagt 1400 m en
het gebied telt meer dan 48 bergtoppen boven de 2000 m. Andere hoge bergen in
het Durmitor Nationaal Park zijn de Savin kuk (2313 m), de Crevena kuk (2175 m),
de Meded (2287 m) en de Planinica (2330 m). In de wintertijd is Durmitor de
enige echte wintersportplaats van Montenegro met als centrale skioord Zabljak
(1465 m), de hoogste stad van de Balkan. De diepste ravijn van het Durmitor
Nationale Park, tevens diepste van Europa en op één na diepste van de wereld, is
de Tara-ravijn (1300 m diep) en de rivier met die naam is de langste van
Montenegro. Verder liggen hier achttien gletsjermeren en 748 bronnen waar puur
bergwater uitkomt.
Het centrale binnenland van Montenegro bestaat uit een karstplateau van
gemiddeld 1000 m hoog, met toppen tot 1900 m, zoals de Orjen (1894 m) en de
Lovcen (1749 m). Het 5400 hectare grootte nationale park Biogradska Gora is een
geïsoleerd gebied in Montenegro, waarvan tachtig procent bestaat uit
middeleeuwse bossen. Al in 1878 werd dit gebied tot nationaal park uitgeroepen,
maar zes jaar later dan ‘s werelds eerste nationale park het Yellowstone Park in
de Verenigde Staten. Het park is niet alleen bekend door zijn 60 meter hoge
eeuwenoude bomen, maar ook door zijn vijf glaciale meren, die bekend staan als
de “bergogen” (o.a. Biogradsko, Pešica, Ursulovacka en Šiško).
Montenegro telt 40 meren waaronder het grootste meer van de gehele republiek en van de Balkan, het Skadarmeer (391 km2; 43 km lang, 14 km breed en gemiddeld 7 m diep). Ca. 219 km2 behoort tot het grondgebied van Montenegro, de rest behoort tot Albanië. Voor de kust van Montenegro liggen veertien eilanden met een totale kustlijn van 15,6 km.
Geschiedenis:
Illyriërs, Romeinen en Slaven
Tekenen van menselijke beschaving op de Balkan dateren van ca. 7000 jaar v.Chr.
Landbouw, aardewerk en koperen voorwerpen zorgden voor het ontstaan van kleine
dorpen en tegen het einde van het 4e millennium v.Chr. was er een actieve handel
met Oost-Europa.
600 v.Chr. vestigden de Illyriërs zich in het huidige Montenegro. Zij gebruikten
op grote schaal ijzeren voorwerpen en handelden intensief met de Griekse
stadstaten.
Ca. 400 v.Chr. vielen de Kelten vanuit het noorden binnen, vlak daarop gevolgd
door de Romeinen. In 9 n.Chr. werden de Illyriërs definitief onderworpen door de
Romeinen, hoewel het hele gebied Illyrië bleef heten.
Na de dood van keizer Theodosius in 395, viel het Romeinse Rijk uiteen in twee delen. Rome verloor de macht over het oostelijke deel, dat het Byzantijnse Rijk werd. Het westelijke deel bleef Romeins, maar in de 5e en 6e eeuw werden de Romeinen verdreven door de Goten en de Hunnen. Militair bleef het gebied vanuit Constantinopel echter onder controle staan van de Avaren en de Bulgaren.
Gedurende de 6e eeuw trokken Slaven vanuit Polen en het Baltikum de provincie Provalis binnen. Zij troffen daar Romeinse nederzettingen aan wat nu plaatsen zijn als Kotor, Budva, Ulciinj, Bar en Duklija. Geleidelijk aan werden ze bekeerd tot het christendom. Veel huidige namen van plaatsen, bergen en rivieren op de Balkan herinneren nog aan deze Pools/Baltische periode.
In 625 vormde keizer Heraclius een bondgenootschap met twee sterke Slavische stammen in de regio, de Kroaten en de Serven, die de Dalmatische kust controleerden. Het binnenland van Dalmatië werd een toevluchtsoord voor gevluchte stammen die vaak in een groot familieverband leefden (‘zadruge’) met aan het hoofd een patriarch of ‘zupan’. Soms verenigden enkele van deze ‘zadruges’ zich onder een ‘zupan’ die zich dan koning ging noemen. Het eerste Servische ministaatje onder leiding van Vlastimir ontstond op deze manier in ca. het jaar 850. Zij keerden zich tegen de Bulgaarse expansiedrift en erkende de Byzantijnse soevereiniteit over hun gebied. Hierop ondernam Michael, de Byzantijnse keizer, onmiddellijk actie en liet de evangelist Cyrillus de Serven bekeren tot het christendom.
Het koninkrijk Duklija
Na de dood van Vlastimir volgde een periode van chaos totdat in 1017 zijn neef,
Vojislav, de vazallenstaat Duklija stichtte. De naam Duklija stamt af van een
Illyrische stam die hier ooit woonde. In 1042 versloeg Vlastimir de Byzantijnen
en Duklija werd onafhankelijk. In 1077 regeerde zijn zoon Mihailo over een rijk
dat het huidige Montenegro, Albanië en Herzegovina omvatte. Door paus Gregorius
VII werd hij erkend als ‘Sclavorum Regi’, koning der Slaven.
Het koninkrijk verzwakte echter langzaam maar zeker, totdat in 1169 ‘zupan’
Stefan Nemanja een vazallenstaat vestigde in de regio Raska. Zijn zoon Stefan
Provencani werd de eerste Servische koning in 1217. De dynastie breidde zich
geleidelijk uit totdat de negende koning, Stefan Dusan (1331-1355), regeerde
over een gebied dat bestond uit het huidige Montenegro, Albanië, Macedonië en
gedeeltes van Bosnië en Servië.
Ottomanen (Turken)
Het Ottomaanse rijk kreeg in 1354 voet op het vasteland van Europa en begon zich
noordwaarts uit te breiden. De Slavische leiders waren erg verdeeld en werkten
dan weer samen met de Turken en trokken daarna weer met elkaar op.
De Turken veroverden Servië in 1389 (Slag bij Kosovo) en bezetten Bosnië in 1463
en Herzegovina in 1483. De Crnojevic - dynastie, die op dat moment over het
huidige Montenegro regeerde, verplaatste in 1482 de hoofdstad van Žabljak bij
het Skadarmeer naar Centinje om de Turkse aanvallers beter te kunnen weerstaan.
Het gebied begon vanaf deze tijd bekend te staan onder de naam Crna Gora en er
ontstond langzaamaan een eigen cultuur en eigen tradities. Vanwege tactische
redenen sloot koning Stefan een bondgenootschap met Venetië.
![]() |
![]() |
Prinselijke bisschoppen
In 1516 vond er een belangrijke constitutionele verandering plaats in
Montenegro. De laatste representant van de Crnojevic - dynastie trouwde met een
Venetiaanse en vestigde zich in Venetië. Hij verleende zijn opvolging aan de
prins-bisschop (‘vladika’) van Cetinje. Deze link tussen kerk en staat zorgde
wel voor stabiliteit. Ondertussen ging de oorlog met de Ottomanen door en hoewel
Centinje in 1623, 1687 en 1712 door de Turken werd geplunderd, lukte het niet om
de Montenegrijnen volledig te overheersen.
Omdat de orthodoxe bisschoppen zich hadden te houden aan het celibaat, hadden ze
geen natuurlijke opvolgers. In 1696 won Danilo het recht om zijn eigen opvolger
te kiezen. Vanaf die tijd was de Petrovic - clan continu aan de macht. In 1712
behaalde Danilo een belangrijke overwinning op de Turken bij Carev Laz, een
belangrijk ijkpunt in de Montenegrijnse onafhankelijkheidsoorlogen. Danilo was
ook een succesvol diplomaat, die onder andere vriendschappelijke betrekkingen
aanknoopte met Peter de Grote van Rusland. Danilo werd echter ver overtroffen
door Petar I Petrovic Njegoš, die hem in 1782 opvolgde. Hij versloeg de Turken
in een serie veldslagen, waarop in 1799 de Ottomaan Porte er genoeg van had en
de Montenegrijnse onafhankelijkheid erkende.
Montenegro en Rusland versus Napoleon Bonaparte
In 1806 versloegen Montenegro en Rusland de Franse keizer Napoleon bij Kotor.
Montenegro versloeg daarna Napoleon nog eens bij Cavtat en Herceg Novi. De
Montenegrijnen versloegen Napoleon ook nog in de Baai van Kotor, maar bij het
Congres van Wenen werd de Baai van Kotor toch aan Oostenrijk toegewezen.
Hierdoor bleef Montenegro nog steeds verstoken van de zozeer gewenste open weg
naar de zee. Petar I stierf in 1830 en werd opgevolgd door Petar II Petrovic
Njegoš.
Deze Petar II wordt door iedereen als de belangrijkste heerser van Montenegro
beschouwd en is eigenlijk de grondlegger van het huidige Montenegro. Hij
organiseerde een centrale regering met een senaat van 32 personen, de ‘Guardia’.
Verder kwam er een politiemacht, de ‘perjanici’ en hief hij belastingen. Petar
II overleed in 1851, maar zijn neef Danilo II was al verloofd en volgde hem op
als ‘gospodar’, prins. Om aan het opvolgingsgedoe een eind te maken zorgde hij
voor een scheiding tussen kerk en staat. In 1860 werd hij vermoord in Kotor, en
opgevolgd door de 19-jarige Nikola Petrovic, die daarvoor twee jaar onderwijs in
Venetië had genoten.
Prins Nikola Petrovic
Nikola en zijn vrouw kregen in totaal negen kinderen en zes daarvan trouwden met
koninklijke of aristocratische Europeanen, zoals groothertog Petar van Rusland
en koning Victor Emmanuel van Italië. Dit leverde belangrijke politieke
connecties op, maar was niet genoeg om de Turken van zich af te houden. Na een
serie oorlogen en verdragen verklaarden Montenegro en Servië samen de oorlog aan
Turkije in 1876, Rusland volgde een jaar later.
Tussen 1876 en 1878 leidde Nikola het Montenegrijnse leger naar een aantal
overwinningen op de Turken. Het Congres van Berlijn in 1878 bevestigde de
territoriale aanwinsten, inclusief de steden Podgorica, Bar, Ulcinj en Nikšic.
Montenegro verdubbelde bijna qua oppervlakte en de nieuwe grenzen werden
internationaal erkend. Ook een open weg naar de zee was nu een feit. Nikola was
ook een sociale hervormer, die gratis lager onderwijs, post- en
telegraafkantoren, een netwerk van wegen en spoorwegen en persvrijheid
introduceerde. Met name Italianen investeerden in de Montenegrijnse economie en
er werden in Cetinje een aantal ambassades geopend, waaronder die van
Groot-Brittannië, met wie Montenegro een goede relatie onderhield.
In 1910 werd Nikola door het Montenegrijnse parlement uitgeroepen tot koning. In
1912 startten de Balkan - oorlogen tegen Turkije, maar opnieuw was Montenegro
succesvol, helaas wel ten koste van veel slachtoffers. Het Verdrag van Londen
leverde Montenegro nog meer grondgebied aan de Albanese en Kosovaarse grens op.
![]() |
![]() |
Eerste Wereldoorlog
Toen de Eerste wereldoorlog in 1914 uitbrak, bezette Montenegro meteen het pas
gestichte Albanië en verklaarde, samen met Servië, de oorlog aan Oostenrijk. Dit
pakte echter verkeerd uit want eind 1915 waren beide landen bezet door
Oostenrijks - Duitse troepen. Koning Nikola vluchtte naar Italië onder
bescherming van zijn schoonzoon, de koning van Italië.
In 1918 profiteerde koning Petar van Servië, ook een schoonzoon van Nikola, van
de naoorlogse chaos in Montenegro. In eerste instantie werden de Serven
verwelkomd als bevrijders en bondgenoten. De Montenegrijnen gingen er vanuit dat
hun regering zou worden geïnstalleerd als onderdeel van de Confederatie van
Slavische Staten. Al snel werden de bedoelingen van de Serven duidelijk: het
leger van de Serven was gewoon een bezettingsleger en Montenegro werd door
Servië geannexeerd.
De Montenegrijnen kwamen op 7 januari 1919 in opstand tegen de bezetters en deze
oorlog duurde tot 1926, waarna de geallieerden beloofden dat Montenegro zijn
vrijheid en onafhankelijkheid zou terugkrijgen. De beloftes werden echter niet
nagekomen zo werd Montenegro het enige geallieerde land dat zijn vrijheid
verloor als gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Een gevolg hiervan was een
emigratiegolf naar vooral de Verenigde Staten. Koning Nikola was ondertussen in
1921 overleden in het Franse Antibes.
De geboorte van Joegoslavië
Tussen de twee wereldoorlogen verdween Montenegro als onafhankelijk land
compleet van de Europese landkaart bij het ontstaan van Joegoslavië in 1929. De
moord op koning Alexander van Joegoslavië door een Kroaat in 1934 en diens
vervanging door de regent prins Paul, oom van koning Petar II, maakte voor het
centrale regime in Belgrado weinig verschil. Een effectief programma van
landhervorming maakte van Joegoslavië een redelijk welvarend land van
voornamelijk kleine boeren.
Het Duitsland van Adolf Hitler was ondertussen het gidsland wat betreft de
Europese economische revival. Hitler onderhield daarbij nauwe contacten met
Joegoslavië, en in 1938 verdween 53% van de Joegoslavische export naar
Duitsland. Na de ‘Anschluss’, de annexatie van Oostenrijk door Hitler, probeerde
Joegoslavië politiek onafhankelijk te blijven ondanks grote druk van de Duitsers
om deel uit te gaan maken van de Axis-landen. De invasie van Tsjecho-Slowakije
door de Duitsers en Albanië door de Italianen voerde de druk op Joegoslavië nog
verder op, net als het niet-aanvalspact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie in
1939. In maart 1941 bond prins Paul toch in, en ondertekende het Tripartite Pact
met Duitsland en Italië.
Tweede Wereldoorlog en de Partizanen
Het volk reageerde zeer verontwaardigd en er volgde met behulp van de luchtmacht
een geweldloze coup. Regent prins Paul werd verbannen en hij werd voor even
opgevolgd door koning Petar II. Maar binnen een maand viel Duitsland binnen en
Petar vluchtte naar Londen met zijn regering in ballingschap. Daarna werd
Joegoslavië opgedeeld tussen Duitsland, Italië, Hongarije en Bulgarije. Het
grootste gedeelte van Montenegro kwam in handen van de Italianen, de rest werd
door het Italiaanse bewind in Albanië bestuurd. Een zwakke poging van Italië om
in Montenegro een marionetten-monarchie te installeren duurde niet lang.
Drie verschillende militaire groeperingen met hun eigen belangen zaten de
Italianen erg dwars. Het autonome Kroatië onder Ante Pavelic en zijn
Ustaša-beweging hanteerden een raciale zuiveringspolitiek die miljoenen joden,
zigeuners en Serven het leven kostte. Het restant van het koninklijke
Joegoslavische leger verborg zich op het platteland van Joegoslavië en vormden
daar de Chetniks onder Dragoljub Mihailovic. De derde en belangrijkste militaire
guerrillamacht waren de Partizanen onder leiding van Josip Broz, beter bekend
onder zijn oorlogsnaam Tito. Tito wilde uiteindelijk een communistische staat in
het naoorlogse Joegoslavië vestigen.
Tegenstrijdige belangen zorgden er uiteindelijk voor dat de drie groepen in
conflict kwamen met elkaar, met name de Ustaša en de Partizanen. De Britten
steunden natuurlijk het gehele Joegoslavische verzet tegen de Axis-landen, maar
richtten zich aanvankelijk instinctief vooral op de koningsgezinde Chetniks. Ze
hadden echter al snel in de gaten dat alleen de Partizanen van Tito effectief
verzet boden en zowel de Britten als de Amerikanen stelden zich toen vierkant op
achter Tito en zijn Partizanen.
De relatief geïsoleerde ligging van Montenegro en het bergachtige binnenland zorgden samen met de kracht van de lokale afdelingen van de Communistische Partij voor een ideaal strijdgebied. In 1943 gaf Italië zich over en werd de situatie voor de Partizanen gunstiger omdat de Italianen veel wapens en munitie achterlieten. In de zomer van 1944 kwam het einde van de oorlog in zicht. Tito ontmoette Churchill in Napels en vloog daarna door naar Moskou. Daar werden plannen gesmeed voor de bevrijding van Joegoslavië en in oktober werd met behulp van de Sovjets Belgrado bevrijd en snel daarna de rest van het land.
Tito wordt president
De Partizanen hadden nu alle macht in handen met behulp van een 800.000
manschappen tellend leger, een effectieve overheid en geen bezettingsmacht. In
november 1945 stemden 90% van de stemgerechtigden voor een nieuwe grondwet die
de basis vormde voor de Federale Republiek Joegoslavië. De macht lag compleet
bij de communisten en de geheime dienst (de UDBA) zorgde ervoor dat er van een
serieuze oppositie geen sprake was.
Min of meer als een beloning voor het gepleegde verzet, werd Montenegro een van zes republieken in het nieuwe Joegoslavië en kreeg een strook land langs de Dalmatische kust toegewezen. Joegoslavië was op dat moment niet alleen het sterkste Balkan-land, maar na de Sovjet-Unie ook het invloedrijkste land van Oost-Europa. Joegoslavië verwachtte van de Sovjet-Unie hulp bij enkele grensgeschillen (Italië en Oostenrijk), maar ook economische hulp. Men verwachtte ook erkenning voor het heroïsche verzet tegen de Duitsers, maar het tegendeel gebeurde. In 1948 werden Joegoslavische en Bulgaarse diplomaten naar Moskou geroepen, waar ze een uitbrander kregen in verband met hun onafhankelijke politieke opstelling ten opzichte van de Sovjet-Unie. Bulgarije zwichtte, maar president Tito schreef een beroemde brief naar de Russische leider Stalin waarin hij uitlegde dat er verschillende wegen naar het socialisme waren. In 1949 waren Oost- en West-Europa verdeeld door een ‘IJzeren Gordijn’ en was Joegoslavië vanwege zijn onafhankelijke opstelling uit het communistische Oostblok gestoten.
Joegoslavië valt uiteen na de dood van Tito
Onder Tito ging het in Joegoslavië goed met de economie, met name door de sterke
opkomst van het toerisme. Belangrijk was ook dat hij een bindende figuur was,
die het land met zijn verschillende bevolkingsgroepen bij elkaar hield. De zes
republieken hadden een zekere mate van autonomie, maar profiteerden in lang niet
gelijke mate van de economische en sociale vooruitgang. Montenegro ontwikkelde
zich daarbij het minst.
Na de dood van Tito in mei 1980 begon Joegoslavië uit elkaar te vallen.
Buitenlandse schulden en etnische spanningen liepen op en in 1991 trokken
Slovenië en Kroatië, gevolgd door Macedonië, zich terug uit de Federatie. De
situatie in Kroatië was zeer ernstig door de revival van het Ustaša-nationalisme
en de constante repressie ten opzichte van de Servische minderheid in het land.
In mei 1992 werd er een leger van de Verenigde Naties in Kroatië geïnstalleerd,
maar toen waren er al meer dan 200.000 Serven uit Kroatië vertrokken. In Bosnië
en Herzegovina wilden de moslims en de Kroatische bevolkingsgroep zich ook uit
de federatie terugtrekken, de Serven wilden dat niet. Deze tegenstelling
culmineerde in een zwarte periode, met een burgeroorlog, oorlogsmisdaden en zeer
veel bloedvergieten. In 1992 werd de onafhankelijkheid van Bosnië erkend.
Op dat moment waren er nog twee republieken over: Montenegro en Servië riepen de
nieuwe Federale Republiek Joegoslavië uit op 27 april 1992. Ieder had zijn eigen
president, wetgeving en soevereiniteit over zaken die niet waren ondergebracht
bij de federale regering.
De Milosevic-jaren
Slobodan Milosevic, die tien jaar lang president van Servië was, werd in 1997
president van de Federatie. Hij continueerde de politiek van het beperken van de
rechten van de etnische Albanezen in de regio Kosovo, dat zeven jaar eerder al
haar autonomie verloren had. Het Kosovaarse Bevrijdingsleger werd echter steeds
actiever en sterker. In maart 1998 ondernam het Joegoslavische leger een
contra-offensief waardoor het Kosovaarse leger praktisch geëlimineerd werd.
De NAVO probeerde tevergeefs te bemiddelen en in maart 1999 begonnen een serie luchtaanvallen van het bondgenootschap op Montenegro, Servië, Kosovo en de autonome regio Vojvodina. Milosevic weigerde echter concessies te doen en dwong ca. 800.000 Kosovaren om naar Bosnië, Albanië en Macedonië te vertrekken. Daarop zette de NAVO de KFOR-troepen in (Kosovo Forces) en werd Kosovo een protectoraat van de Verenigde Naties. Montenegro distantieerde zich steeds meer van de Kosovo - politiek van Milosovic en bood onderdak aan meer dan 100.000 vluchtelingen. In oktober 2000 werd Milosevic afgezet en vervangen als federale president door Vojislav Kostunica. Hij riep parlementsverkiezingen uit en installeerde een interimregering van nationale eenheid.
Montenegro in de 21e eeuw
Op 21 mei 2006 mochten de Montenegrijnen naar de stembus en de volgende dag
deelde de onafhankelijke kiesraad mee dat 55,4% van de kiezers ‘ja’ gezegd
hadden tegen het voorstel om van Montenegro een onafhankelijk land te maken. De
opkomst lag rond de 87% en was daarmee de hoogste opkomst ooit. Op 3 juni 2006
om 20.00 uur werd de onafhankelijkheid van Montenegro uitgeroepen en hield de
confederatie Servië en Montenegro op te bestaan. Op 22 juni 2006 werd Montenegro
lid van de Verenigde Naties en op 11 mei 2007 trad het land toe tot de Raad van
Europa.
Bevolking
Montenegro telt ca. 685.000 inwoners en heeft een bevolkingsdichtheid van ca. 49
inwoners per km2. Ongeveer 60% van de populatie leeft in de steden. De etnische
en culturele verschillen tussen de Montenegrijnen en de Serviërs blijven ook na
de onafhankelijkheid van Montenegro bestaan. Daar komt nog bij dat
bevolkingsgroepen zich continu hebben verplaatst en er niet alleen huwelijken
werden gesloten tussen Montenegrijnen en Serven, maar ook met Kroaten, Albanezen
en Bosniërs. De laatste tellingen laten zien dat de etnische Montenegrijnen 43%
van de bevolking uitmaken, Serven 32%, Albanezen 5%, Bosniërs 8% en andere
groepen in totaal 12%. Ca. 3000 Roma leven permanent in Montenegro, de meeste
van hen in de omgeving van Podgorica.
Grootste steden Montenegro
| Podgorica 152.000 Nikšic 75.000 Bijelo Polje 57.000 Pljevlia 40.000 Berane 40.000 Bar 38.000 |
Herceg Novi 28.000 Ulcinj 25.000 Kotor 23.000 Rozaje 23.000 Cetinje 21.000 |
Bezoekers: