|
Februari 1988
We stonden om half negen op. De rugklachten van Robbert waren niet verdwenen,
integendeel: Tijdens het ontbijt vond de eerste echte pijnkoliek plaats: Robbert
werd lijkbleek, het zweet parelde op zijn voorhoofd en wat meer zij: hij keurde
zijn pas gesmeerde broodje met geen blik meer waardig. Met van pijn vertrokken
gezicht ging hij terug naar de kamer. Toen Jos, na het beëindigen van zijn
ontbijt, daar ook aankwam lag Robbert in half ontklede staat krimpend van pijn
op bed. Hoe hij zich ook draaide of keerde, de pijnscheuten hielden aan en
werden na verloop van tijd nog heviger.
Om kwart over tien besloot Jos om in actie te komen. Aan de balie verzocht hij
om een dokter te bellen. Die zou een uur later arriveren; het personeel vertelde
er maar direct bij dat inschakeling van een arts minimaal 7.000 peseta's zou
kosten, maar dat vonden wij maar van secundair belang.
En inderdaad, om precies kwart over elf stond ene Dr. Kheiri voor onze deur. Hij
leek ons van Joodse of Moorse (Arabische dus) afkomst. Hij maakte een zeer gedistingeerde indruk en
hij sprak gelukkig een woordje Engels, zij het slechts rudimentair. Na Robbert
onderzocht te hebben en hem een spuit tegen de pijn gegeven te hebben, sprak hij
enigszins aarzelend zijn diagnose uit: pijnkolieken veroorzaakt door nierstenen.
Zijn therapeutisch advies: goed warm houden bijv. met een warme kruik, een drietal
medicamenten slikken en vooral veel, veel drinken, liefst water. Ook zou hij nog
een "nurse" sturen voor verdere behandeling waaronder een hernieuwde injectie.
Hij schreef tenslotte een rekening uit ter hoogte van 8.000 peseta's (om en
nabij de 200 gulden); hij had wel eerst geïnformeerd of wij voor ziektekosten
waren verzekerd. Vermoedelijk zou zijn rekening redelijker zijn geweest als
ons antwoord op die vraag "nee" had geluid.
Nadat dr. Kheiri was verdwenen, verwijderden we de matras van Robbert's bed,
want liggen op een harde, platte ondergrond verdiende in dit geval de voorkeur.
Intussen werd de pijn steeds ondraaglijker; de spuit leek hoegenaamd geen effect
te hebben. Een bijkomend probleem vormden onze financiën, want door die
onverwachte aderlating zaten we weer bijna op zwart zaad. Jos toog naar de
overkant van de straat om bij de Banco Sul Americano 30.000 peseta's op te
nemen. Dat had heel wat voeten in aarde (lang wachten:) en pas na enen kwam hij
daarvan terug. Direct daarna ging hij met het recept, want dat was hij
aanvankelijk vergeten mee te nemen, naar de apotheek. Het medicijnenpakket
bestond uit antibiotica, een pijnstiller en een middel tegen zenuw- en
spierpijnen. Geneesmiddelen zijn er gelukkig niet duur: we betaalden slechts f
16.
Jos stelde een schema op van de tijden waarop de pillen moesten worden
ingenomen. Even later opnieuw een klop op de deur: de "nurse" meldde zich. Nogal
verbaasd waren wij door zijn mannelijke, zeg maar macho entree: spijkerbroek,
openhangend shirt met welig behaarde borst, etc. Kortom, het tegendeel van de
tedere verpleegster die we eigenlijk hadden verwacht. De man schokte al meteen
ons vertrouwen door ernstig te vragen hoe het ging met de pijn in de maag… Maar
goed, uiteindelijk zette hij ook een spuit. In de linkerarm lukte het hem niet;
het bloedvat had zich daar te diep teruggetrokken in het stevige vlees van
Robbert's arm, hetgeen hem niet verbaasde omdat dit gewoonlijk een defensieve
reactie van de adrenaline op stress en pijnsituaties was. Dit laatste wist hij
ons toch in gebrekkig Engels duidelijk te maken. Hij adviseerde de zieke om een
warm bad te nemen. Zijn rekening bedroeg 3.000 peseta's. Het kamermeisje had
zich onderwijl ook verdienstelijk gemaakt en kwam aanzetten met een fles heet
water. Goed bedoeld natuurlijk, maar je kunt er wel moeilijk op gaan liggen.
Tegen twee uur begon de pijn langzaam maar zeker weg te ebben; helemaal
verdwijnen deed ie niet, hij bleef zeurend aanwezig. Terwijl Robbert onder de
dekens bleef, ging Jos eten in het Museo de Jamon. Hij maakte nog een rondje om
het Sol - plein heen om wat foto's te schieten van onder meer de 0 km tegel en van Madrid's mascotte, het standbeeld van de beer tegen de aardbeienboom. Ook
informeerde hij nog naar kaartjes voor Toros en Futbol, maar het verkoopkantoor
was gesloten. Tenslotte kocht hij enkele broodjes kaas voor zijn lijdende
reisgenoot.
Om 4 uur was Jos terug in de kamer. Robbert lag nog steeds in dezelfde houding
en vertelde dat de dokter had opgebeld en bezorgd naar zijn gezondheidstoestand
had gevraagd. Tot half negen bleef Jos bij de zieke die afwisselend dutte en
dronk. Daarna ging hij de stad in; via Sol naar de Calle Montera (waar een
Andalusisch flamencogroepje speelde met een éénbenige zanger die met zijn rauwe
aangrijpende stem velen de beurs liet trekken, vooral voorbijgangers van het
vrouwelijke geslacht). Gran Via, Plaza Callao, Plaza Mayor. Daar was het druk,
er speelde een 12 - mansformatie lekker pittige, jazzyachtige muziek met salsa -
invloeden. De menigte swingde gezellig mee. Hier en daar liep een geschminkte
rond. De avond was erg kil, zeker voor Jos die zijn sjaal ergens had verloren,
waarschijnlijk in een van de vele cafeetjes die hij had bezocht. Na 2 liter bier
te hebben gedronken keerde hij naar de eenzaam achtergebleven Robbert terug, Om
half twaalf was hij terug. Robberts toestand bleek stabiel gebleven te zijn. Om
een uur ging het licht definitief uit.
Koninklijke Tapijtfabriek
(Madrid, Spanje)
Wandtapijten
voor koninklijke klanten
De Koninklijke Tapijtfabriek is een levendig
museum waar nog altijd kleden en wandtapijten met de hand worden
gemaakt met gebruik van traditionele technieken die nauwelijks zijn
veranderd sinds de fabriek begin 18e eeuw werd opgericht door Filips
V, de eerste Bourbonkoning van Spanje. Het tempo waarin in die
periode koninklijke paleizen, huizen en jachtsloten werden gebouwd
en ingericht, lag zo hoog, dat de Bourbons meerdere van dergelijke
fabrieken openden om aan de vraag naar tapijten te voldoen. Dit is
echter de enige fabriek die nog bestaat. De wandtapijten en kleden
die in de fabriek werden gemaakt, zijn terug te vinden tegen de
muren en op de vloeren van de meeste Spaanse koninklijke paleizen.
Tot de beroemdste wandtapijten behoort een reeks die is geïnspireerd
op tekeningen van de kunstenaar Francisco de Goya en zijn zwager
Francisco Bayeu. Goya's carrière als kunstenaar begon met ontwerpen
voor wandtapijten en toen deze in de smaak bleken te vallen bij de
koninklijke klanten, werd hij een van Spanjes meest vermaarde
schilders.
De oorspronkelijke fabriek werd in 1889
overgeplaatst naar het huidige gebouw in het Bourbon - district om
het bloeiende bedrijf meer ruimte te verschaffen. Het museum bevat
een collectie 18e-, 19e- en 20e-eeuwse wandtapijten, vloerkleden en
schilderijen, plus een uitleg over moderne en traditionele
technieken. De koninklijke familie is nog altijd klant van de
fabriek. |
Dag 4: dinsdag 16 februari
Om half zes in de ochtend begon de pijn Robbert opnieuw parten te spelen. Hij
nam zijn dosis pillen met als waarschijnlijk gevolg dat de opkomende aanval zich
niet doorzette. Jos werd om 9 uur vanzelf wakker. Aan het ontbijt vertelde hij
de ober Pepe over Robbert's lotgevallen. Pepe luisterde vol medeleven toe en hij
maakte duidelijk zelf ook ooit slachtoffer te zijn geweest van nierstenen. Hij
gaf Jos een grote kan thee voor Robbert mee. Robbert had zich ondertussen op een
stoel geparkeerd, omdat hij steeds meer last kreeg met liggen. Alleen wanneer
hij op zijn zij lag was het enigszins vol te houden. Jos ging op zoek naar
buitenlandse (zo mogelijk Nederlandse) kranten. Hij kwam terug met twee
sensatiebladen, nl Bild Zeitung en het Belgische Laatste Nieuws, waarin
criminaliteit een hoofdrol speelt, naast natuurlijk het Vlaamse sportgebeuren.
Om elven ging Jos in zijn eentje de stad in; Robbert had daar geen bezwaar
tegen. Allereerst kocht hij in het chique warenhuis El Corte Ingles een nieuwe
sjaal; daarna liep hij via het klooster Descalzas (dat toen al vanwege de siësta
was gesloten!) naar het Plaza del Este voor het Koninklijk Paleis (waar hij
foto's maakte). Vervolgens voerde zijn weg hem naar het bekende Plaza de España,
met superhoge gebouwen en een enorm monument voor de schrijver Cervantes en zijn
schepping Don Quichotte en Sancho Pancha. Daarna doorkruiste hij het Parque del
Oueste, waar hij de Egyptische Tempel van Debod bezichtigde en vanaf een mirador
(uitzichtpunt) een foto van het verderop gelegen Palacio Real. Tenslotte
belandde hij via de Teléferique (de kabelbaan die over de rivier de Manzanares
naar het Casa de Campo voert) die ook al was gesloten, weer in de binnenstad. Op
dat moment begon het hevig te regenen (het was de hele dag al bewolkt geweest),
aanleiding voor hem om een kroeg in te duiken om mosselen te eten. Na het
(bescheiden) dinertje goot het buiten nog steeds, zodat hij besloot met de
ondergrondse terug naar het hotel te gaan.

Templo van Debod
Tempel van Debod (Madrid,
Spanje)
De enige
echte Egyptische tempel buiten Egypte
Deze antieke Egyptische tempel uit de 2e eeuw
v.Chr. stond oorspronkelijk aan de Nijl. Nu vindt u hem in het hart
van de Spaanse stad Madrid. De tempel werd verplaatst, omdat zijn
eigenlijke standplaats onder water dreigde te lopen na de bouw van
de Assoean-dam. Unesco deed een wereldwijd verzoek om hulp voor het
redden van de beroemde Tempel van Aboe Simbel en vele andere
monumenten, waaronder de Tempel van Debod. Omdat Spanje al eerder
financiële en archeologische steun had verleend aan Egypte (waardoor
veel belangrijke monumenten waren behouden, waaronder ook de Tempel
van Aboe Simbel) besloot de Egyptische regering de Tempel van Debod
aan Spanje te schenken.
Na meer dan twee millennia in het Afrikaanse
stof, werd de tempel in 1968 verplaatst naar Madrid. De tempel werd
oorspronkelijk gebouwd door farao Moroe Adijalamani ter ere van Amon
Re, de koning der goden, en Isis, de moeder van de god Horus en
zuster / echtgenote van de god Osiris, rond wie een intensieve
cultus ontstond. De oorspronkelijke tempel werd diverse keren
uitgebreid door latere farao's en ook door de Romeinen, tot hij
uiteindelijk in de 6e eeuw in onbruik raakte en tot een ruïne
verviel. Wat ervan over was, werd verplaatst naar een schilderachtig
park niet ver van de Campo de Moro in Madrid, waar de tempel werd
gerestaureerd en deels herbouwd in een poging hem te herstellen in
zijn vroegere glorie.
Na vier jaar uitgebreide restauratie werd het
gebouw in 1972 geopend als toeristische attractie, samen met een
expositie over de verschillende fasen van de restauratie. Dit is de
enige originele Egyptische tempel buiten Egypte en het is daarom
zonder meer een spectaculaire ervaring om in het midden van het
moderne Madrid op dit fenomeen te stuiten. |
Om kwart over drie stapte Jos de hotelkamer binnen waar Robbert op zijn gemak op
een stoel zat te lezen. Hij had een heet bad genomen en het ging hem nu
aanmerkelijk beter. Gezien zijn vooruitgang besloot hij om half zes mee te gaan
koffie drinken in de buurt. Omdat hij na enkele kopjes "cortado" nog steeds geen
last voelde, liepen we maar direct verder om een restaurantje te zoeken. Via het
Plaza Santa Ana kwamen we zo terecht in een onooglijk en goor cafeetje, Asturias
geheten; de uitbater was trouwens ook een stugge Asturiaan. We aten lever met
gebakken eieren, het smaakte Robbert (die twee dagen heel weinig had gegeten)
bijzonder goed, waarmee de stelling "Honger maakt rauwe bonen zoet" weer eens
bewezen werd. In de nabijgelegen marktwijk schaften we flessen bier aan. In de
Calle de Leon werd Robbert getroffen door winkels met wit aardewerken en gipsen
beeldjes. Hij besloot daar de laatste dag terug te keren.
Aan de Plaza St. Ana waren we in een ballonhal gratis getuige van een audio
visueel artistiek spektakel, samengesteld met afgedankte technische
gebruiksvoorwerpen en afvalmateriaal. Onze impressie: een schijnbaar zinloos
pandemonium van lawaai, rook, beweging en licht. Om 20.00 uur bereikten we via
een straat vol bontwinkels ons hotel.
Hoewel het om 21.00 uur regende dat het goot, belette ons dat niet om uit te
gaan. Ondanks het slechte weer nam Robbert toch zijn fototoestel mee, want hij
had zijn zinnen gezet op wat nachtopnames van de Gran Via – neon lights en de
geïllumineerde monumentale panden. Onze Knirps parapluutjes werden evenmin
vergeten. Onze eerste pint pakten we om de hoek in het nette café "Nebraska".
Onze volgende namen we in café "Texas", in de afgelopen zomer stamkroeg van Clim
en Jos. Volgens Robbert scheen de kastelein Jos direct te herkennen. In deze en
bijna alle volgende cafés kregen we "tapa's" voorgeschoteld. Jammer genoeg waren
dat ook wel eens olijven, vruchten die Robbert verafschuwt.
We liepen de Gran Via af, wandelden eens een van de talloze goklokalen en
speelhallen binnen (Spanjaarden zijn erg goklustig), probeerden een foto te
maken (maar het weer was nog steeds spelbreker) en belandden tenslotte bij de
Plaza de España. Daar draaiden we ons om en keerden, regelmatig aanleggend, via
een aantal kleinere straatjes terug naar ons uitgangspunt. In bijna alle kroegen
werden we getrakteerd op de "vogeltjesdans" die als herkenningsmelodie van de
gokkasten fungeerde. Onze laatste pint dronken we op Plaza del Sol in een modern
en druk beklant café; zowaar enkele (Amerikaanse) toeristen zagen we er: Om
01.00 uur zochten we onze kamer op en dronken daar onze laatste, (aller ,
allerlaatste:) pint.Hiernaast: etiket van ons favoriete
biermerk in Spanje
|
 |

 |