|
Ga ook naar de andere pagina van
TOLEDO / TOLEDO
EN MARSEPEIN
Om zeven uur ging de wekker af. Robbert had erg slecht
geslapen vanwege de harde ondergrond en legde maar weer de matras op zijn bed.
Voor de afwisseling ging nu Jos voor het eerst douchen. Na hem kreeg Robbert
alleen heet water over zich heen en de bewoordingen waarmee hij blijk gaf van
zijn afkeuring logen er niet om. Om tijd te winnen besloten we geen aangifte van de
ondergrondse beroving te doen. Vanaf Sol gingen we rechtstreeks met de metro
naar station Atocha. We kochten er een nieuwe 10 rittenkaart (de oude had ook in
Robbert's beurs gezeten). In de restauratie dronken we koffie tegenover een
dikke Duitser die al behoorlijk aan het hijsen was.
Bij het loket stond een schoolmeester voor ons; hij moest zo' n 30 kaartjes naar
Toledo hebben. De reis (retour) naar Toledo was erg goedkoop, iets meer dan een
tientje. Onze trein vertrok van spoor 8; daar stonden 2 treinen achter elkaar.
Aanvankelijk stapten we verkeerde in, maar daar kwamen we gelukkig op tijd
achter. Precies om 09.15 uur zette de trein zich in beweging. De schoolkinderen
bij ons in de buurt maakten behoorlijk wat herrie en zongen liederen. Robbert
bereidde zich met de reisgids voor op de bezienswaardigheden van Toledo, terwijl
Jos een krant doornam (Spaans) die volledig aan de voetbalwedstrijd van die
avond tevoren was gewijd.
|
Achter Aranjuez lag een zware nevel als een deken over de
droge hoogvlakte. Ons boemeltreintje moest hier veel vaart minderen. In deze
trein trouwens ook weer ontzettend veel Japanners, vooral jongeren in kleine
groepjes reizend; jongens bij elkaar, meisjes bij elkaar, onderling geen
contact! Toen we uitstapten om tien voor elf was de stad Toledo geheel in
mistflarden gehuld. We wisten de weg niet en volgden daarom maar de
schoolkinderen.
Eenmaal binnen de muren van de stad gekomen zochten we zelf de
weg en ja hoor, binnen 5 minuten hadden we ons ergens onder de wallen
vastgelopen! We liepen de lange, steile trappen af en gingen een andere richting
uit. We kwamen uit bij het Museum van Santa Cruz, een voormalig ziekenhuis. Daar
moesten we onze tassen inleveren. Naast de normale tentoonstelling (schilderijen)
bezochten we er ook een fototentoonstelling (met het lulletje van de Madrileense
voetballer Butragueno!) en een archeologische expositie (mammoetkop). |
 |
Via een poort bereikten we vervolgens het centrale plein, de
Plaza Zocodover.
Het was er nog niet erg druk. De nevel werd minder dik, men kon de plompe
contouren van de Alcazar al onderscheiden. We liepen de stad verder in. Om kwart
over twaalf aten we spiegeleieren met friet. Voor het eerst werden we
aangeklampt door bedelende zigeunerinnetjes. Toledo maakte een diepe indruk op
ons. In de volledig authentieke historische kern is nauwelijks een dissonant te
ontdekken en de bouwstijlen van de 14e tot en met de 18e eeuw zijn harmonisch op
elkaar afgestemd. Het is inderdaad één groot openluchtmuseum; magnifiek!
Voor de enorme kathedraal sloegen we linksaf. We verbaasden we ons over de
vindingrijkheid van de mens op foltergebied in het Museum van de
Martelwerktuigen (hoge entree). De kathedraal was imposant, vooral het voorfront
dat rijk bewerkt was, maar je kon hem van buiten niet goed bezichtigen, omdat de
huizen er te dicht tegen aan waren gebouwd. Bovendien was het gebouw wegens de
siësta gesloten; de talloze andere musea in de stad trouwens ook! We moesten ons
dan ook noodgedwongen beperken tot verkennende wandelingen. We slenterden op ons
gemak zuidwaarts naar het dal van de rivier de Taag.
Zo kwamen we voorbij het stadhuis, de oude synagoge, het huis van El Greco, de
kerk van San Tomé en nog een museum: alles was dicht. Bij de rivier aangekomen
kropen we over een hek om een beter uitzicht te krijgen. Vanaf dat punt zagen we
de Taag diep beneden ons als een brede glinsterende band door de kloof
slingeren. Robbert maakte foto's. Langs de kerk San Juan de los Reyes lopend
kregen we de mooie, westelijk gelegen stadspoort Puerta del Cambron in het
vizier. Schuin ertegenover lag "Casa Pedro", een onooglijk en uiterst klein
cafeetje (de kolos Robbert paste niet in het toilet!), waar we bier dronken en
een portie gehaktballetjes in kruidenboter gebruikten.
Om kwart voor drie vervolgden we onze tocht. Buiten de gave stadswallen hadden
we opnieuw een grandioos uitzicht op de rivier en het reusachtige Christusbeeld
in de vallei dat stond te schitteren in de zon. Rechts van ons lag het oude
Toledo, nog geheel ommuurd. We maakten een aantal foto's van verschillende
poorten voor we via de Puerta de Visagra weer de stad ingingen. We raakten in
gesprek met een Spanjaard, die ons verzekerde dat Johan Cruyff bij Real Madrid
de opvolger van Don Leo (Leo Beenhakker) zou worden; "cambio entrenador" volgens
hem dus.
De Puerta del Sol, de Mirador, opnieuw het fraaie Zocodover - plein en tenslotte
de Alcazar, de oude vesting op het hoogste punt van de stad: al deze
bezienswaardigheden bezochten we in ijltempo. We kochten nog een aantal
ansichtkaarten voor we via de eeuwenoude Puente de Alcantara (een brug) naar het
station terugliepen.
De loketten in de hal van het station waren het bekijken waard: het was puur
houtsnijkunst. Samen met een groot aantal groepjes Japanners vertrokken we tegen
half vijf richting Madrid. De trein schokte en schommelde dat het een lieve lust
was en buiten lag het tamelijk saaie landschap te baden in het lentezonlicht.
Onderweg deden we een dutje of probeerden we een cryptogram op te lossen.
|
TOLEDO
Stad van 45.000 inwoners, 70 km zuidwest van Madrid. Alles wat
typerend is voor Spanje op het gebied van traditie, grandeur en
kunst is samengeperst in Toledo, een kleine stad op de top van een
Castilliaanse heuvel. Het was vroeger de hoofdstad van het Spaanse
imperium en is nog altijd de zetel van de primaat van de katholieke
kerk in Spanje. Het is tevens een weergaloze schatkamer vol van de
mooiste kunstschatten.
Wanneer u slechts tijd hebt om één Spaanse stad te bezoeken, ga dan
naar Toledo. En wanneer u slechts tijd hebt om een kerk in Spanje te
bezoeken, ga dan naar de kathedraal van Toledo. Dank zij zijn
opmerkelijke gotische torenspits is de kathedraal van overal in de
stad zichtbaar. Van dichtbij is het echter moeilijk om een goede
indruk van het kerkgebouw te krijgen, aangezien het helemaal tussen
de oude huizen van Toledo is ingebouwd. De schoonheid van de kerk
kan men evenwel ruimschoots van binnen bewonderen.
Toledo's betekenis als het middelpunt van het christelijke Spanje
gaat terug naar de eerste synodes en kerkvergaderingen, die daar
reeds in het jaar 400 werden gehouden. Na de inval van de moslims in
711, moest het Christendom ondergronds worden beleden, doch na de
herovering van Toledo op de Moran in 1085 onder leiding van de
legendarische krijgsman El Cid, werden alle moskeeën weer in kerken
veranderd. Tenslotte werd in 1222 voldoende geld verzameld om een
passende kathedraal te bouwen. De bouw nam twee en een halve eeuw in
beslag.
Bergafwaarts vlak achter de poort in de Calle de Cervantes, ligt het
16e-eeuwse Hospital de la Santa Cruz (Hospitaal van het Heilige
Kruis), dat een zeer fraaie gevel heeft. De stenen hoofdpoort is
uitgehouwen in een stijl, die men plateresque noemt, omdat het er
even verfijnd uitziet als het werk van een zilversmid (platero
betekent zilversmid). Binnen geven de indrukwekkende houten plafonds
een gevoel van ruimte. Het provinciale archeologische museum is hier
ingericht, maar vooral de kunstverzameling verdient alle aandacht.
Bewonderaars van El Greco komen ook hier weer aan hun trekken, dank
zij een uitgebreide collectie van zijn werken met als hoogtepunt de
Hemelvaart van Maria, dat hij precies een jaar voor zijn dood
schilderde.
Het driehoekige stadsplein van Toledo is eveneens na de
verwoestingen van de burgeroorlog herbouwd. De Plaza de Zocodover
bevindt zich daar, waar in de middeleeuwen de Moorse markt (Zoco =
souhk) werd gehouden. Het diende ook als toneel voor grote fiëstas,
toernooien en terechtstellingen van misdadigers en ongelovigen. De
hoefijzervormige poort die van het plein naar de rivier leidt, wordt
veelbetekenend El Arco de la Sangre (Bloedpoort) genoemd.
GESCHIEDENIS
Toledo, een van de oudste steden van Spanje, was vroeger de
hoofdstad van de Iberische Carpetanen en werd in 192 v.Chr, door de
Romeinen veroverd, die haar Toletum noemden. Onder de Westgoten was
de stad van 534 tot 712 opnieuw hoofdstad en werden er talrijke
concilies gehouden. In de Moorse tijd (712-1085) heette de stad 'Tolaitola'
en was tot 1035 de zetel van een emir onder het opperbevel van de
kalief van Córdoba; daarna beleefde de stad als zelfstandig
koninkrijk een bloeitijd door de wapenfabricage, en de zijde- en
wolindustrie. Ook de wetenschappen werden op hoog niveau beoefend.
De christelijke bewoners, de Mozaraben (d.w.z. 'Arabische knechten'
of 'onechte Arabieren') namen de Arabische taal over, die ook later
nog lange tijd naast het Spaans bleef bestaan en pas in 1580 werd
verboden. In 1087 werd de stad de residentie van de koningen van
Castillië en tevens het kerkelijk centrum van heel Spanje. De namen
van de kardinalen en aartsbisschoppen Mendoza, Albornoz e.a. zijn
verbonden met de belangrijkste gebeurtenissen van de Spaanse
geschiedenis uit die tijd. Hier begon ook de volksopstand van de
Comuneros. Toen Philips II de residentie naar Madrid verhuisde (van
1559-61 resideerde hij echter weer in Toledo), verloor de stad haar
politieke betekenis. In de Spaanse burgeroorlog werd Toledo beroemd
door de verdediging van de Alcázar. |
 |
 |
Om tien over zes bereikten we het levendige station Atocha.
Daar gingen we eten bij "Casa Luciano", waar we al eerder waren geweest.
Robbert's vurigste wens, een hele kip voor hem alleen, kon helaas niet
vervulling gaan en hij moest zich met een halve tevreden stellen. Hij kreeg wel
een Beiers aandoende pot bier. Jos hield het ditmaal bij een koteletje,
Frankfurters en friet, een zgn. "combinado". Na dit diner liepen we Calle de
Atocha af naar het noorden. Bijna aan het einde daarvan sloegen we rechtsaf en
zochten we het straatje Calle de Leon, waar Robbert zijn zinnen had gezet op een
gipsen beeldje als aandenken. In de tweede zaak kon hij na veel vijven en zessen
en enige communicatieproblemen slagen, meer ondanks dan dankzij een Spaanse dame
die haar schamele kennis van het Engels in de strijd wierp). Het werd een joekel
van een beeld van de Madrileense beer. Volgens ons had de winkelier het
betreffende beeld even bij zijn concurrent op de hoek geleend, want toen hij
even naar achteren ging bleef hij wel erg lang weg en kwam er op een gegeven
moment een man met de gevraagde beelden door de voordeur binnenwandelen!
Tegen acht uur kwamen we in het hotel aan. We rustten uit
tot negen uur, waarna we opnieuw de stad introkken. Robbert was bewapend met
zijn fototoestel, want hij wilde hoe dan ook zijn nachtopnames hebben. We liepen
de Calle de Alcala af en maakten foto's, ook Jos want die had een fotorolletje
van 400 Asa aangeschaft, waarmee ook nachtopnames binnen zijn bereik kwamen.
Onderwerpen: verkeer, Banco Central, Puerte de Alcala, Plaza de Cibeles. We
liepen tot Plaza Colon dat naar we wisten ook goed was verlicht. Daar stapten we
in de métro om naar het Palacio Real te gaan. Het paleis bleek echter niet
geïllumineerd te zijn. Inmiddels was het 22.00 uur geworden; tijd voor pilsjes
dus. In de theaterbuurt lagen zat gezellige kroegjes met typisch uitgaansvolk,
maar dan in het chiquere genre, o.m. veel vrouwen met bontmantels. En waar geld
is, daar zijn ook bedelaars. Sommigen verkochten rozen, plantjes en kauwgom e.d.
Op de Plaza Callao / Gran Via maakten we onze laatste foto's.

Sint laadt marsepein in Toledo
Door EDWIN WINKELS
Het geschiedde eeuwen geleden in Spanje: uit een smakelijke
massa borrelde een lekkernij op die in een mum van tijd wereldfaam verwierf.
In Toledo, 75 kilometer ten zuidwesten van Madrid, zijn ze niet eenkennig. Ze
zijn er absoluut van overtuigd dat de marsepein ooit, al bijna acht eeuwen
geleden, in hún stad werd 'uitgevonden', maar ze accepteren ook de versies van
de anderen die bluffen dat zij de eerste waren die amandelen en suikers
samenvoegden en tot een smakelijke massa stampten.
Venetië, waar de lekkernij marzapane heet, zegt dat de oorspronkelijke betekenis
marcipane is, het brood van San Marco, een lekkernij waarmee altijd de
beëindiging van de belegering van de stad werd gevierd én de beschermheilige van
Venetië werd geëerd. In Duitsland hebben ze de beroemde Lübecker-marsepein, door
de EU erkend. Daar vertellen ze dat een bakker uit Lübeck in de veertiende eeuw,
bij gebrek aan graan en dus brood, het mengsel van amandelen en suikers als
oplossing vond.
Toch wordt de versie van het trotse Toledo als één van de meest betrouwbare
beschouwd, ook al omdat die het verst terug in de tijd gaat. En in een periode
van feestdagen waarin Sinterklaas uit Spanje is overgekomen, is het natuurlijk
meer dan logisch dat hij even in Toledo is langs geweest om de paarden vol met
zakken marsepein te laden.
Boven Toledo en enkele plaatsen uit de omgeving hing de afgelopen weken de
indringende, zoete lucht van verbrande suikers en amandelen. Terwijl buiten de
temperaturen sterk daalden, brandden de bloedhete ovens in Toledo, Sonseca,
Gálvez en Carpio de Tajo. De grootste fabrieken (Delaviuda, Barroso, Donaire)
staan er, maar het meest bijzonder zijn de kleinere ambachtslieden, die ook te
bezoeken zijn, zoals Santo Tomé, Casa Telesforo en de Dominicaanse nonnen van
het klooster van Jesús y María.
En van andere nonnen, die van het klooster van San Clemente, zo zeggen ze in
Toledo, komt de marsepein, hoewel nog niet precies duidelijk is wie de naam
heeft bedacht. Het zit zo: in het jaar 1212, tijdens de veldslag Navas de Tolosa
tussen arabieren en christenen, was er een gebrek aan voedsel. Ook de nonnen
kwamen op het idee amandelen, in overvloed aanwezig op de droge grond, met
suiker te mengen. Ze sloegen de nootjes kapot met een paal, maza geheten, en zo
werd het pan (brood) de maza geboren, ofwel het Spaanse mazapan.
Anderen geven de Arabieren echter de eer van de naam van de lekkernij. Het zou
van twee woorden kunnen komen: mantha-ban, wat 'zittende koning' betekent, een
beeld dat voor veel marsepeinfiguurtjes in de Middeleeuwen werd gebruikt.
Bovendien heeft Toledo een zittende koning in zijn stadswapen. Het andere woord
is mahsaban, arabisch voor zoet mengsel van amandelen en andere noten.
Wie, wat of waar de marsepein ook heeft uitgevonden, feit is dat nergens ter
wereld zo'n grote industrie rond het typische 'snoepje' voor de feestdagen
bestaat als in Toledo en zijn provincie. De stad probeert al vaak duidelijk te
maken dat je hem niet even in een middagje vanuit Madrid moet bezoeken, dat er
meer is dan de kleine, steile straatjes, de kathedraal en het Alcázar-fort.
Probleem is dat het gros van de buitenlandse toeristen in de zomer langskomt,
wanneer de stad aan de Taag-rivier in een gloeiende braadpan lijkt te liggen en
elke wandeling door de verzengende hitte wordt ontmoedigd. Daarom is een bezoek
in de herst of winter niet eens zo'n gek idee: tegen de kou kun je je beter
beschermen dan tegen de hitte en het is er bovendien bijna altijd droog.
Er zijn ook, verrassend, enkele marsepeinsoepen, die de wandelaar overigens niet
op temperatuur brengen want ze worden koud en geserveerd. Bij bar, restaurant én
banketbakker El Foro de Toledo, op het centrale plein van Zocodover, serveren ze
de soepen en hebben ze ook een heel eenvoudig basisrecept: 1 liter melk aan de
kook brengen, 250 gram marsepeinpasta toevoegen, roeren en laten afkoelen. Met
kaneel en sinaasappelschillen wordt het dessert nog lekkerder.
Overigens heeft de regionale overheid wel strenge normen voordat de procudenten
hun lekkernij 'marsepein van Toledo' mogen noemen. Het belangrijkst is dat
minimaal de helft van de marsepein uit gepelde en gemalen amandelen moet bestaan
en voor de rest uit suiker, al zijn er (goedkopere) versies met de toevoeging
van rijstmeel en eieren.

 |