|
|
Dag 12 Gwalior – Agra – JaipurEERSTE VOET IN RAJASTHANBij het afrekenen van de hotelrekening blijken toch nog allerlei onbegrijpelijke toeslagen te gelden. Te voet naar station, waar voor alle zekerheid zowel Jos in een rij als Clim in een andere rij aansluit. Het loket van Jos blijkt het juiste te zijn. De trein zou om 09.30 uur vertrekken, dat wordt anderhalf uur later. Aankomst Agra: 01.00 uur. Op volgen perron schermutselingen met opdringerige kruiers. Clim tot één van hen: "People in India are polite. You are no Indian:" Ook wil men ons op agressieve wijze hotels aansmeren, terwijl we gewoon op doorreis zijn. Buiten het stationsgebouw nemen we de meest simpel ogende chauffeur in de arm, dit alleen om de flukse en naar onze smaak ál te assertieve andere "vervoerders" op stang te jagen. En dat lukt ons uitstekend. We laten ons naar het busstation brengen, waar we direct voor Jaipur boeken. Clim baalt als een stier omdat hij bij het uitstappen zijn broek scheurt. Aanvankelijk wil hij de simpele ziel aansprakelijk stellen, maar bij nader inzien ziet hij daar toch maar vanaf. We eten op zijn Italiaans (macaroni en spaghetti) in een op toeristen ingesteld restaurantje en slaan grote hoeveelheden drinkwater in, voor ons betekent dat mineraalwater.
We merken dat ook "super‑luxe"‑bussen wel eens te laat vertrekken. Het verstouwen van onze bagage kost ons een extra "baksjies" (fooi). We rijden door een vlak eentonig landschap, waarin met de regelmaat van de klok dorpjes opdoemen. Uit verveling gaat Clim gesignaleerde kamelen tellen, maar omdat dit niet snel genoeg gaat schakelt hij over op pauwen. Daarmee heeft hij meer succes: wel 20 op zo'n 500 meter: Ondertussen blijven de zittingen ongemakkelijk en blijkt de boordvideo defect, niet geheel tot ons ongenoegen overigens. In een restaurant met de veelbetekenende naam "Midway" houden we 15 minuten pauze. Daar zetten we voor het eerst voet op de bodem van Rajasthan. In de dorpjes die we passeren zijn voorbereidingen voor een ons onbekend feest in volle gang: boeren hebben hun kleurrijke klederdrachten uit de mottenballen gehaald, fanfares stellen zich in chaotische rijen op, versieringen en verlichtingen worden aangebracht, kortom: koortsachtige activiteit alom. Een bedelares rent achter onze bus aan nadat ze een glimp van onze kapitaalkrachtige koppen heeft opgevangen. Ze haalt het net niet. We hebben ergens oponthoud wegens "groot vervoer". Jaipur bereiken we pas tegen het vallen van de avond. Ook in de zgn. "Pink City" is', gezien de optochten (iedereen lamp op hoofd!) feest. Op het busstation is het weer prijs: agressieve benadering. We nemen onze intrek in hotel "Chandragupt" naast het station.
Dag 13 JaipurDE ROZE STADWe begonnen de dag met een copieus ontbijt: omelet, ananassap, marmelade, brood en veel thee. We vergaten niet onze dagelijkse dosis medicijnen te slikken. Te voet gingen we daarna naar de Oude ommuurde stad, The Pink City (de Roze Stad) genaamd. Natuurlijk is niet alles in die kleur opgeschilderd, maar de kleuren rood en oranje erbij zorgen ervoor dat de naam min of meer terecht is. De weersomstandigheden waren eens te meer drukkend. Jaipur was in die periode de heetste grote stad van India! We werden onderweg regelmatig door uitstekend Engels sprekende verkopers aangesproken; zij bleken deel uit te maken van een in snel tempo uit de grond gestampte vreemdelingenindustrie, het toerisme. Meestal schonken we er geen aandacht aan, tenzij ze opdringerig en handtastelijk werden of van geen ophouden wisten. Een van ons schoot dan uit zijn slof hetgeen bijna nooit zijn uitwerking miste. We betraden de stad via de Chandipol Gate (poort) en kuierden de hoofdstraat af. Veel ambulante handel hier, vooral boerinnen met hun producten als groente en fruit zaten op hun hurken langs de weg. De ossenkarren in het verkeer moesten hier meer plaats maken voor kamelenkarren. Ook ruiters behoorden er tot het normale straatbeeld. Bij een rotonde maakte Clim een praatje met een stel vriendelijke Indiërs, totdat de aap uit de mouw kwam: ook zij hadden allemaal wel iets in de verkoop.
Tegenover de Hava Mahal was een protestdemonstratie van vrouwen aan de gang, waarvoor de straat werd afgesloten. Op een afstandje bevond zich een groep gewapende politieagenten die achter de hand werd gehouden, mocht de manifestatie escaleren. Een heel mooie gevel heeft die Hava Mahal, met al die honderden erkertjes en raampjes, maar er achter ligt niets. De details zijn heel gracieus en verfijnd. We gingen er niet naar binnen en maakten alleen foto's van het gebouw. Veel souvenirwinkeltjes in de buurt en uiteraard ook veel meer westerse toeristen. De driehoek Delhi ‑ Agra ‑ Jaipur wordt zonder uitzondering door alle reisgezelschappen in hun programma opgenomen. De middenstand vaart er redelijk wel bij.
Achter de Hava Mahal was
de ingang van het Stadspaleis van de Maharadja. Op het plein ervoor hadden
zich duizenden duiven verzameld; in de schaarse bomen en op de roze gebouwen
slingerden tientallen langstaartapen zich van tak naar tak, respectievelijk
van erker naar kiosk. In het paleis bezochten we verscheidene musea die in een
aantal gebouwen zijn ondergebracht; we vergaapten ons aan wapens,
klederdrachten, gebruiksvoorwerpen, kunst, etc. Met name bewonderden we de
manshoge zilveren kruik. Clim ging onder de beroemde Pauwenpoort op de foto
met een viertal paleiswachten, tegen een kleine "vergoeding" natuurlijk, wat
dacht u? Eén van de paleiswachten herkende zichzelf op een foto die in ons
reishandboek was opgenomen. Vol trots wees hij zichzelf aan voor zijn
nieuwsgierig naderbij gekomen collega's. Het meest luxueuze gedeelte van het
paleis mochten we niet betreden, want daar waren de privé‑woonvertrekken van
Om half drie verlieten we het paleis. Bij de poort vulden we onze koud watervoorraad aan en duwden onderwijl melaatse bedelaars hun verminkte ledematen onder onze neus. Vlakbij lag de Jantar Mantar. Jos was min of meer uitgeput en zocht de schaduw op waar hij kon uitpuffen. Hij overhandigde zijn fotocamera, uitgerust met telezoomlens, aan Clim die hiermee gewapend de vreemdsoortige bouwwerken ging verkennen. Overigens, het vergelijkbare sterrenobservatorium in Delhi zag er fraaier uit. Vervolgens bleven we onder een poort een uur lang theedrinken. 's Morgens hadden we hier een voorstelling van een soort circusfamilie gezien, waarbij een 2‑jarige kleuter aan bloedstollende gevaren werd blootgesteld. Het wicht huilde onbedaarlijk. Het was er nu niet bepaald rustiger, hetgeen we niet betreurden. We kwamen ogen te kort. We boden een éénbenige sloeber een glas thee aan, die hij vol waardigheid accepteerde. Met de fietstaxi (de gewone riksja) zochten we ons hotel op om ons te verpozen en te laven. De fietser moest hard werken voor zijn geld. Doorgaans kozen we voor gemotoriseerd vervoer (dat riekt niet zo naar uitbuiting en onmenselijk slavenwerk), maar omdat de motorriksja’s aan het staken waren, bleven we deze 4 dagen Jaipur aangewezen op pezige fietsers.
Dag 14 JaipurSTADSWANDELINGTerwijl Clim nog bezig is met wakker worden, zit Jos al aan het ontbijt. Ondanks herhaalde bestellingen wordt hij niet bediend, waarop hij na een half uur wachten verontwaardigd de keuken inloopt om stennis te maken. Het helpt; soms moeten zelfs toeristen hier vechten voor hun dagelijkse brood: Aan de balie vernemen we dat vanwege het jaarlijkse Moslim ‑ Slachtfeest alle banken en overheidsinstellingen gesloten zijn. Daarom besluit Jos om zijn traveller's cheques maar in het hotel te wisselen; bovendien besparen we ons zo veel wachttijd, irritatie en formaliteiten. Het geplande bezoek aan het kantoor van Air India om onze terugreis (vlucht Delhi ‑ Amsterdam) te herbevestigen moeten we opschorten.
Buiten worden we aangesproken door een gesoigneerde, uiterst beleefde jongeman, die ons gratis uitstapjes met zijn auto in de omgeving aanbiedt. We vermoeden een addertje onder het gras en gaan dan ook niet op zijn genereuze aanbod in. Vervolgens worden we ingesloten door fanatieke riksjarijders. We nemen in een van de riksja's plaats, maar worden er door jaloerse concurrenten gewoon weer uitgetrokken. We ontsteken in woede (Clim: "Do not touch me!") en gunnen niemand meer het vrachtje, we gaan te voet verder. In een zijstraatje pikken we stiekem toch maar een andere riksja. Onderweg naar het centrum worden we lastig gevallen door een hardnekkige poppenverkoper op een fiets. Het was wel een vrolijke vent; opgewektheid is een karaktereigenschap die in India slechts sporadisch voorkomt, althans zo is onze indruk. Bij de Hava Mahal begint onze wandeling. We bezoeken een inferieure Hindoetempel, waar jongetjes om sigaretten bedelen. Voor we de bazaar intrekken voert Clim onderhandelingen met een muntenhandelaar en geldwisselaar die op het trottoir plaats heeft genomen. Hij koopt enkele mooie, oude exemplaren. Jos koopt voor f 8 een veldfles die ons nog goede diensten zal bewijzen. De wijk waarin we rondlopen is gespecialiseerd in handel in edelstenen en diamanten. Even later belanden we in niet‑toeristische straatjes. Er is nergens mineraalwater te koop, dus moeten we ons behelpen met mierzoete brouwsels (gelukkig wel gekoeld) en vers geperste rietsuikersap. Jos probeert Indian Soda met peper en zout, wat een afschuwelijke combinatie blijkt te zijn.
Een jong meisje ziet plotseling een westerling, in casu Clim, aan de overkant van de straat lopen. Zonder na te denken sprint zij enthousiast de straat over om hem te begroeten en haar Engels te oefenen en prompt wordt zij aangereden door een fietser. Haar broertje is woest en probeert de wielrijder te lijf te gaan. Ondanks de pijn weet het meisje toch nog te glimlachen naar Clim. Een stukje verderop stuiten we op een bruidsstoet. We worden terloops aangesproken door een man die in alles een evenbeeld was van Naad I., een bekende van ons uit Roermond: figuur, omvang, plechtstatige stem, houding van het hoofd, maniertjes .... Zijn Engels was perfect. Tenslotte belanden we op een groente‑ en fruitmarkt. Bij ons verschijnen schieten de prijzen als een raket de hoogte in, tenminste dat vertellen autochtone klanten ons die het niet met die praktijken eens zijn. Zoals we bijna elke dag doen, kopen we ook hier banaantjes. Vlak bij de Sankaner Poort gaat Clim in de slag met een andere muntenverkoper, maar deze rekent te veel provisie. Buiten de muren van de stad rusten we uit en drinken we ananas‑ en mangosap. Nog steeds hebben we geen water gevonden. In het stadspark leggen we ons opnieuw te rusten en wel onder een van de schaarse bomen. We trekken veel bekijks, vooral van kinderen die in een kringetje om ons heen staan en ons schaamteloos aangapen. Jos verjaagt voor alle zekerheid ("misdaad‑preventie") een onguur uitziende jongeman. Op die jonge gasten waren we niet zo gesteld, te veel branie en doorgaans voor geen cent te vertrouwen. Het liefst doen we zaken met oudere personen, met hen hebben we over het algemeen prettige ervaringen opgedaan. Zij drijven hun prijzen ook niet zo opzichtig op.
Om 16.30 uur zijn we terug bij het hotel. Bij het busstation gaan we traditiegetrouw appelsap drinken, een peperbol eten en sigaretten kopen. Daarna genieten we beiden van een koel en verkwikkend ligbad, alsmede een ietwat verlaat, maar wel verdiend middagdutje. Om half zeven stappen we in een riksja om naar het station te gaan. Clim had nog vóór Jos in de gaten dat de fietsboy zo zat als een Maleier was. Slingerend baande hij zich een weg door het verkeer. Al fietsend stal hij een kokosnoot van een stalletje langs de weg, maar hij werd betrapt en er volgde een scheldpartij. Moeizaam klauterde onze "chauffeur" van zijn voertuig af en begon te bakkeleien. Dat hij een vrachtje had was hij helemaal vergeten. We gingen te voet verder naar het roze station. Aan het informatieloket vulden we een reserveringsformulier in, waarmee we even later 2 kaartjes 1e klas slaapwagon konden kopen voor de stad Bikaner in de Thar - woestijn. De loketbeambte was alleraardigst, dat mag ook wel eens gezegd worden. (Klik voor een vergroting.)Op een bank langs de straat gezeten drinken we thee. Naast ons is een soort uitgiftepunt van gratis voedsel voor bedelaars. We zien ze in alle soorten en maten: jong en oud, man of vrouw, gezond, ondervoed, kreupel in gammele karretjes, waardig, verdierlijkt en bijna allen zonder uitzondering sterk vervuild. Een onbewogen man deelde linzensoep en brood uit. Een dikbuikig ambtenaartype keek toe of alles ook eerlijk in zijn werk ging. Het eten was geschonken door rijkere buurtgenoten. Wat verderop aten wijzelf dal (hete soep?, saus?) en chapati (soort brood). Dit is de meest eenvoudige maaltijd die je in India kunt krijgen. Over de prijs zullen we het maar niet hebben. In een drankhol mochten we in een zijruimte bier drinken. op straat mag dat namelijk niet. De verkoper informeert belangstellend naar wat wij zoal te verkopen hebben, aanstekers, horloges, etc. We moeten hem teleurstellen, waarna zijn aandacht voor ons verdween. Buiten staan voor sommige winkeltjes tv‑toestellen opgesteld, waarvoor groepjes bezitslozen zich verdringen. We kopen een fles bevroren water, ijs dus. Op de terugweg fietst een spontane Sikh‑meid van een jaar of 13 op een veel te grote herenfiets langs ons op. We lachen heel wat af met dit onbevangen type. Ook een onberispelijk geklede heer knoopt al fietsend onverstoorbaar een praatje met ons in de riksja aan. Clim gaat direct het hotel binnen. Jos bezoekt een protestvergadering van de stakende taxichauffeurs, zittend op zijn hurken. Nadien raakt hij nog in gesprek met een voormalige rechtenstudent, nu een magisch‑realistisch schilder, die atheïst beweerde te zijn en Europa op zijn duimpje blijkt te kennen. Hij leefde in onmin met zijn niet onbemiddelde familie die hem aan een vrouw wilde koppelen.
DAG 15 JaipurHET AMBER FORT's Morgens heeft de kamerboy de Engelstalige krant "Hindustan Times" onder onze deur doorgeschoven. We nemen eerst thee op bed. We ontbijten in het hotelrestaurant. We krijgen echter een veel te hoge rekening gepresenteerd en protesteren daar krachtig tegen. Na lang delibereren worden we in het gelijk gesteld en wordt het bedrag verlaagd. We vragen een riksja om ons naar het Air India‑office te rijden. We belanden echter in een villawijk aan de rand van de stad. De fietser weet klaarblijkelijk niet waar het kantoor ligt. Via Indian Airlines (dat we duidelijk niét moesten hebben!) bereiken we uiteindelijk de plaats van bestemming. We worden netjes ontvangen en binnen 5 minuten hebben we onze zaken afgehandeld. Wat een verademing! De employé vindt wel dat we erg vroeg onze vlucht terug herbevestigen.
Op weg naar de Hava Mahal, waar de bus naar Amber vertrekt, zien we een gedeeltelijk ontkleed lijk van een zwerver op het talud liggen. We drinken water aan een stalletje, waar we een aangenaam gesprek voeren met een student. Volgens hem waren we óf dokters óf leraren, nou, dat laatste is dus een schot in de roos. Eindelijk kunnen we eens met iemand spreken die ons niets wil aansmeren. De bus is typisch Indiaas: spotgoedkoop (15 cent) en afgeladen vol. Dergelijke bussen hebben we "armen en benen buiten"‑ bus gedoopt. De jongelui hangen er in trossen aan de portieren die dan ook open blijven staan. Het ritje duurt 20 minuten.
In Amber aangekomen
bestijgen we zonder dralen de helling naar het fort. Jos maakt een geslaagde
foto van Clim die een aap voert. Andere toeristen laten zich op de rug van een
olifant naar boven brengen. Het fort is eigenlijk meer een verzameling van
paleizen en ontvangsthallen. Het bevalt ons wel, vooral de spiegelzaal had onze
waardering, evenals de zuilengalerijen. We bezoeken er allerlei kiosken met
fraaie uitzichten. Er zijn veel Indiase dagjesmensen op de been, waarvan vooral
de jongeren zich verbaal roeren. In de symmetrische siertuin (zonder water,
jammer) worden we bedolven onder een meute kleutertjes die, al maar "choclate"
schreeuwend, letterlijk in ons' Clim-men'. We worden ontzet door hun oudere
zusjes. Waren die maar in ons geklommen... Ook in dit fort vallen de grote
aantallen jonglerende apen op. We kopen dure ansichtkaarten; Europeanen
betalen een speciale prijs,
In het dorpje Amber wachten we op de volgende bus. We kopen kroepoek van een kleuter en communiceren moeizaam met een groepje geïnteresseerde pubers. Er valt een korte plensbui, maar we zitten droog. Onze watervoorraad vullen we aan bij een goeroeachtige verkoper. In Jaipur richt Clim zijn schreden onmiddellijk naar de muntenverkoper en koopt er een mooie munt uit Nederlansch ‑ Indië. (Bij thuiskomt bleek die vervalst te zijn.) We zoeken nog een tijdje naar een bepaalde Hindoetempel, waar we echter niet binnen mogen. Ook tot een soort Sanskrietcollege wordt ons als ongelovigen de toegang ontzegd. Wel kunnen we rondkijken in de tempel met een levensgrote gouden stier. Er wordt gemusiceerd en geofferd dat het een lieve lust is. We voelen er ons niet op ons gemak met al dat bijgeloof. Op de terugweg naar het hotel treffen we nog steeds het lijk midden op de weg aan, maar nu is het geheel ontkleed. Doden hebben niets meer aan kleren, zal de dief gedacht hebben. De geslachtsdelen beginnen al op te zwellen in de zinderende hitte (weer 38 graden vandaag). 's Avonds maken we nog een korte wandeling. Het regent. We eten gerechten van onbestemde herkomst op een gecompartimenteerd blikken bord. Het voedsel is scherp gekruid. Jos laat zich driemaal bijscheppen.
Dag 16 JaipurMUSEUMBEZOEKOnze laatste dag in Jaipur. We rekenen af bij de balie, hetgeen heel wat voeten in aarde heeft. We krijgen de rekening in een envelop aangereikt. Onze reistassen laten we in bewaring achter. Als ontbijt eten we met groente gevulde deegbolletjes, achter ons ligt een haveloze sadhoe (religieuze bedelaar) te snurken. Het is zondag en er is weinig verkeer op straat. Met de riksja naar het museum.
Voor de laatste keer lopen we de stad in. In een moderne "snack market" drinken we langdurig thee en sapjes. Gespuis en armoedzaaiers worden hier met harde hand geweerd, maar buiten is het weer raak. Clim blaft een bedelares van zich af; even later verliest Jos zijn zelfbeheersing tegenover een al te opdringerig straatschoffie. We bezoeken nog ergens een tempel, waarna we het hotel opzoeken om de bagage op te pikken. De martiale portier vangt een fooitje van ons. Bij het station doen we ons
nogmaals tegoed aan vegetarische kost: spinazie met kaas, uien en pepers,
gemengde groente, thee, Limca, We slaan 4 flessen water in. Gevulde bollen en
bananen moeten ons als mondvoorraad dienen. Het is druk op het station. De
meeste wachtende reizigers liggen er gewoon op de grond. Hoewel we denken dat we
op het juiste perron staan, gaat Clim voor alle zekerheid nog eens informeren.
Maar goed ook, we staan aan het verkeerde uiteinde: 5 Minuten voor het vertrek
stappen we in. We hebben een coupé voor ons alleen, met twee slaapplaatsen. Het
is een lange, maar erg trage trein. Er zijn slechts acht eersteklasplaatsen. Een
van onze buurlui uit de 1e klas komt even buurten. Hij is bankemployé en gaat in
Bikaner stage lopen. Hij is getrouwd, zucht onder een zware hypotheek en behoort
tot de Brahmaanse Pandit‑kaste (een hoge). Hij vertelt ons dit alles in
moeizaam Engels. Hij heeft voor een Indiër tamelijk verlichte opvattingen, o.a.
over de rol van de vrouw. Clim voelt zich niet lekker. Gelukkig hebben we een
eigen "WC", waarvan hij 4 keer gebruik maakt met behulp van zijn zaklamp; het is
een hurk‑WC. De conducteur repareert onze kapotte ventilator. Na anderhalf uur
wordt onze
Opmerkelijk harmonisch
|