|
|
|
OP DE
TAFELBERG
|
![]() |
![]() |
Op het station doen we niets overhaast. Het is nog vroeg en we drinken thee aan een stalletje, kopen er inlandse sigaretten en proberen er de bedelaars van ons lijf te houden. Als hotel kiezen we de Tourist Bungalow (ofwel Tansen Motel). Met de riksja ernaar toe. De kamer kost 2 tientjes en alles zit er op en er aan. Snel nog een dutje doen tot twaalf uur en dan de stad verkennen.
We willen echter eerst
lunchen in het restaurant van het motel. Er is geen kip te zien. Na veel vijven
en zessen krijgen we een rijstschotel voorgezet, met ei, dat wel. De ober
verschijnt helemaal niet meer, zodat we zonder te betalen aftaaien. Een bebaarde
jongeling uit Jaipur laat ons meerijden tot het station, waar we een scooter
naar het fort pakken. We besluiten de zuidelijke toegang te beklimmen. Jos zit
al gauw onder de modderspatten als gevolg van een ontbrekend spatbord. We zijn
slecht voorbereid voor de lange klim. Wegens gebrek aan water slaan we een
aantal flesjes mierzoete frisdrank in. Op een stel uitgelaten Sikhs op één
scooter en een volledig verbrande, helblonde westerse trekker na zijn wij de
enige die omhoog zwoegen. De hitte is in de kloof blijven hangen en er is geen
spoor van schaduw. We passeren een twintigtal Jain ‑ beelden, waarvan de hoogste
tot 15 m oprijst. De sculpturen zijn in de rotswand uitgehouwen en stammen uit
de 14e en 15e eeuw.
![]() |
![]() |
Op de berg hebben we een mooi uitzicht op het ons omringende, tamelijk vlakke land. Vlak bij ons doen zwevende gieren allerlei aërodynamische spelletjes. We bezoeken er enkele oude tempels. Een ervan munt uit door een prachtig interieur vol beeldhouwwerk. De paden die van de hoofdweg voeren doen dienst als latrine voor de lokale bevolking, want ze liggen vol menselijke uitwerpselen. Op de berg liggen verder nog scholen (internaten) en militaire installaties, waaronder kazernes. Er ligt ook nog een blinkend witte Sikh‑tempel, maar die laten we links liggen. Hier en daar liggen verder nog wat oude watertanks met groen stinkend water. Na een uurtje bereiken we de andere (noord‑)kant van de berg. Daar liggen de bekende paleizen en forten. De lucht betrekt en we besluiten hier een andere keer terug te keren.
|
Paleis van Man Singh (Gwalior) Een prachtig paleis met koninklijke weelde In de 15e eeuw bouwde de heersende Rajput-dan, de Tomars, een enorm fort bij Gwalior, met muren van 10 meter hoog en 3 km lang. Mogolkeizer Babur noemde het 'de parel onder de Indiase schatten', en het domineert de omgeving. Het fort bevat zes paleizen waarvan het Man Singh het indrukwekkendst is. Het paleis, ook bekend als de Chit Mandir of het Beschilderd Paleis vanwege de rijkheid aan keramische mozaïeken op de buitenmuren, werd gebouwd door Raja Man Singh (die heerste van 1486-1516) met twee verdiepingen boven en twee onder de grond. De zuidgevel heeft drie ronde torens, met elkaar verbonden door kantelen met vakwerk, en een rijke decoratie: krokodillen met lotusbloemen tussen hun koppen en verstrengelde staarten in de vorm van vazen worden afgewisseld met smaragdgroene panelen - mensen, olifanten, tijgers, pauwen en bomen zijn afgebeeld op geglazuurde tegels en mozaïeken in blauw, groen en goud. De oostgevel, een rechte zandsteenmuur, wordt onderbroken door vijf ronde torens met koepeltjes, met elkaar verbonden door verfijnd uitgehouwen balustrades overdekt met helderblauwe tegels. In het paleis worden twee binnenhoven omringd door een reeks vertrekken. Het interieur van deze vertrekken is doorgaans eenvoudig, maar sommige hebben weelderig uitgevoerde plafonds. Aan ijzeren ringen aan het plafond, de deuren en ramen werden kinderwiegjes gehangen, alsook de schermen waarachter de paleisrouwen luisterden naar muzikanten uit Gwalior. In de ronde kamers onder de grond werden koninklijke gevangenen gemarteld en gedood: de laatste sultan van Ahmednagar stierf hier in 1600. Het fort bij Gwalior heeft een turbulent, veelbewogen verleden gekend en veranderde meermaals van eigenaar. Het was in 1857 getuige van de hevige gevechten tijdens de Indiase Opstand en het paleis werd in 1881 grondig gerestaureerd. |
|
Onder aan de steile helling
in Oud‑Gwalior wordt markt gehouden. Biljoenen vliegen houden zich hier op. Soms
zijn ze zo talrijk dat je niet kunt zien wat voor soort schamele vrucht er te
koop wordt aangeboden. Jos maakt een foto van een glunderende bruidegom te
paard. Een goeroe groet ons allerplechtigst. En natuurlijk, de kinderen drommen
om ons heen.
We bekijken het productieproces van suikerwaren, geraken in de wijk van de zilversmeden langs de oude moskee, amuseren ons met de verkeerschaos, ergeren ons over de vele geiten en de stront op de grond. Ineens breekt de hemel open: eindelijk heeft de lang verwachte moesson onze contreien bereikt. Een misschien 14‑jarige scooterrijder verricht halsbrekende toeren om ons naar het hotel te brengen. We zijn kletsnat, doordrenkt. Onder een afdak hebben we even kunnen schuilen.
|
|
|
Clim staat te roken maar wordt door een Oude Wijze hiervoor op de
vingers getikt. Een andere Indiër vraagt ons verbaasd wat we in Gwalior te
zoeken hebben. "Because of
the Fort...?" Hij begrijpt er niets van.
In het hotel storten we ons
op de cryptogrammen en laten we thee aanrukken. Ook beginnen we alvast te
schrijven: Clim naar Jeanine en Jos in zijn dagboek.
Pas om 9 uur gaan we eten, Jos heeft weinig trek; hij laat de helft onaangeroerd en dat bij Tandoori Chicken, wat toch een erkende lekkernij is. In de bar drinken we nog een pint. Door de AC is het er ijs‑ en ijskoud. Op de kamer teruggekeerd moet Jos plotseling alles uitkotsen, gevolgd door een acute aanval van diarree. Hij is behoorlijk van de kaart. Enkele uren later zou Clim ten offer vallen aan dezelfde ziekteverschijnselen. |
|
|
We doen de hele dag NIETS, noodgedwongen weliswaar. We zijn er beiden beroerd aan toe. Het zijn niet alleen de diarreeaanvallen of de maagkrampen die ons parten spelen, nee, onze algehele toestand is abominabel slecht. We voelen ons als een uitgeknepen citroen. Heeft het meedogenloze klimaat van India ons er eindelijk onder gekregen? Zijn we door de knieën gegaan omdat we ons te weinig hebben aangepast aan het plaatselijke leeftempo dat te omschrijven is als "langzaam, langzaam, dan breekt het lijntje niet"? We kunnen er slechts naar gissen. Feit is in ieder geval dat we beiden aan een algemene malaise lijden. We spreken onze medicijnenvoorraad geducht aan en bestellen vele malen thee. De kamerjongens begrijpen er helemaal niets van. Wat doen die westerlingen toch de hele dag op hun kamer? We slapen en dutten heel wat af. Alleen 's avonds verlaten we de kamer om in het restaurant soep te gaan eten. Jos had zelfs daar geen zin in. We verzoeken de kelner om voor ons alvast enkele flessen mineraalwater in de koelkast te zetten. Het kost ons erg veel moeite om hem onze bedoelingen aan het verstand te peuteren. Overigens, deze ziektedag komt ons eigenlijk goed van pas, want buiten heeft praktisch de gehele dag de moessonregen huisgehouden. |
|
Ook deze dag brengen we voornamelijk in ledigheid door. Onze toestand is niet echt verbeterd, dat blijkt al direct na het ontbijt (scrambled eggs, wit van kleur) als we niet in staat zijn tot enige actie. Hierop besluiten we maar weer te gaan pitten, 's Morgens geven we onze vieze, met zweet doordrenkte kleren aan de laundry boy af voor een goede wasbeurt (en strijkbeurt zou later blijken). Om 13.00 uur dwingen we onszelf om op te staan. Voetje voor voetje schuifelen we richting postkantoor. Na een paar honderd meter hebben we al de pijp uit. Het wordt zwart voor onze ogen en slapjes zijgen we langs de straat neer. We zijn gedwongen om elke paar honderd meter een rustpauze in te lasten en dat schiet natuurlijk niet op. Via het busstation (wat een gore rottroep daar) bereiken we de achterkant van het hotel. Door andermans tuinen, we willen absoluut niet omlopen, komen we bij de hoofdingang. Als we een dik uur op onze bestelde thee moeten wachten, gaat Clim zich op hoge poten beklagen bij de directie. Zijn actie sorteert het beoogde effect: al na een minuut staat de boy onderdanig voor de deur...
•s Avonds dwingen we ons iets te eten. In de bar wordt geen bier meer verkocht. Volgens de barkeeper is de voorraad uitgeput. Jonge Indiërs zitten besmuikt aan de laatste biertjes te nippen. Het volk raakt hier volgens ons snel dronken; men kan in dit land heel slecht tegen alcohol. Tot 12 uur blijven op de veranda van de koele avondlucht genieten.
Om half negen wordt de "bed tea" geserveerd, die is in de kamerprijs inbegrepen. Een uur later ontbijten we. Voor het ontbijt (zelfs voor elk besteld pilsje:) dienen we een bonnetje te tekenen. Het ontbijt bestaat uit gekookte eitjes met witte (!) dooiers, een pot thee en een aantal sneden geroosterd brood met boter en marmelade. Tegen zijn gewoonte in ontbijt Jos uitgebreid; hij heeft twee dagen bijna niets gegeten. Een teken dat hij weer aan het opknappen is.
|
Via het station, waar
blijkt dat we geen kaartjes hoeven te kopen voor Agra (d.w.z. geen plaatsen
hoeven te reserveren), gaan we naar de noordkant van de gefortificeerde vesting.
Ondanks onze slappe lichamelijke conditie bedwingen we de steile helling zonder
echte problemen. Schooljochies vallen ons lastig, totdat Clim een foto van hen
neemt, samen met "meester" Jos. Daarna zijn ze tevreden.
We moeten uitkijken voor vallend gesteente, veroorzaakt door klipgeiten. Volgens de jochies zijn het "monkeys", misschien hebben ze wel gelijk. We passeren de nederige stulp van een kluizenaar, tevens tempelbewaker en ‑verzorger. Naarmate we vorderen op de helling vervaagt het straatrumoer van Oud Gwalior onder ons. De zon verschuilt zich achter de wolken, zodat het voor ons goed uit te houden is. |
|
Na 8 poorten (of ruïnes ervan) gepasseerd te zijn, bereiken we de top. Van buiten zien de paleizen er indrukwekkend uit, van binnen valt het toch wel ietwat tegen. Hier en daar wat fraai beeldhouw en stucwerk, maar over het algemeen verkeert het in een staat van verval. Bovendien stinkt het er sterk naar urine. We blijken er de enige westerlingen te zijn, dus ... veel bekijks van Indiërs. Vaak spreken ze ons aan. Soms blijken ze alleen maar uit te zijn op onze aanstekers. In Man Mandir, een van de paleizen, krijgen we de kans om ongestoord in een kiosk die boven een afgrond is geplakt te relaxen, temidden van tientallen het zwerk doorkruisende zwaluwen en helaas ook temidden van honderden vliegen. Met onze benen buitenboord bungelend genieten we van het uitzicht. In de diepte rommelt de levendige binnenstad. We voelen ons even heel gelukkig.
![]() |
![]() |
Op de terugweg nemen we een kijkje in het Archeologisch Museum. Valt dat even tegen. Wat beelden uit de Gupta‑periode, enkele oude handschriften en dan heb je het gehad. Het is er trouwens erg benauwd, dus gauw wegwezen hier, dan kunnen we het straatleven gaan bekijken. We zitten bij een stalletje met een alleraardigste eigenaar. Een jonge, uitgelaten scooterrijder scheurt ons terug naar het hotel. Daar hetzelfde liedje als gisteren: Clim boos naar receptie vanwege matige bediening, succes verzekerd. De rest van de dag besteden we aan lummelen, puzzelen, op de veranda zitten, eten en bagage inpakken.
![]() |
|
Grootste deelstaat van India
Madhya Pradesh bestaat uit een reeks hoogvlakten en laaggebergten,
doorsneden
door rivieren.
Madhya Pradesh, gelegen in het midden van het land, is de meest uitgestrekte
deelstaat van India. Het is een gebied met laaggebergten en bossen aan de
noordrand van de Deccan. Het noorden hoort bij de Indus - Gangesvlakte. Toch
bestaat een groot deel van de deelstaat uit plateaus en heuvels die worden
doorsneden door diepe dalen. De streek van de plateaus wordt geplooid door de
Vindhya Mountains en de Kaimur Mountains in het noorden en de Satpura Mountains
en het aangrenzende heuvelland in het zuiden. In deze vrij lage gebergten
ontspringen de Narmada en de Tapti, die van oost naar west stromen, evenals de
Chambal en diens zijrivieren. Het zuidoosten van Madhya Pradesh wordt ingenomen
door de vlakte van Chattisgarh, het bekken van de bovenloop van de Mahanadi. In
het noordwesten bevindt zich het Malwa Plateau, waarvan de sokkel schuilgaat
onder een laag basalt. Tropische wouden bedekken 40% van de oppervlakte van de
deelstaat, vooral in het zuidoosten. Deze wouden bestaan vooral uit loofbomen
waaronder fijnhoutbomen (teak, sandel, palissander). De helft van het
grondgebied heeft een landbouwbestemming. De vruchtbaarste bodems zijn te vinden
in het gebied van de zwarte aarde op het Malwa Plateau. In het Satpuragebergte
leven tijgers, panters, wilde buffels en talloze herbivoren.
![]() |
![]() |
KLIMAAT
Tropisch moessonklimaat. Gemiddelde temperaturen: 16,5° C in januari, 29,° C in
augustus.
BEZIENSWAARDIGHEDEN
Khajuraho, Ujjain, Sanchi, Gwalior en Datia, Mandu, nationaal park Kasha,
grotten van Bagh, Bhopal, Orchha, Shivpuri, Marble Rocks (Jabalpur), Indore.
BRONNEN VAN INKOMSTEN
Landbouw: graan (gierst, sorghum, tarwe, rijst), katoen, suikerriet,
oliehoudende zaden. Hout. Steenkool, ijzer, bauxiet, mangaan, diamant,
kalksteen. Industrie: metaal (aluminium), staal, chemie, textiel. Elektrische
werktuigen, staalproducten, papier.
Madhya Pradesh, gelegen op een kruispunt van culturen, bezit vele monumenten die
getuigen van een rijk verleden. Duizenden jaren geleden verjoegen de voorouders
van de Indo - Ariërs die nu Madhya Pradesh bevolken de eerste bewoners, te weten
de Ghond en de Bhil, die hun toevlucht zochten in het uiterste zuiden van de
provincie. Madhya Pradesh maakte deel uit van het Maurya-rijk en er zijn nog
overblijfselen te vinden uit de 3e eeuw v. Chr. Vervolgens werd het ingelijfd
bij het rijk van de Gupta en in de eerste helft van de 7e eeuw werd het
onderworpen onder het gezag van koning Harsha. Tegen het einde van de 10e eeuw
werd het westen van het gebied geregeerd door de Parmar-dynastie. Toch bleef het
gebied lange tijd gesoleerd van de naburige provincies doordat de natuurlijke
grenzen moeilijk te passeren waren. Van de 12e tot de 15e eeuw onderging de
streek een reeks aanvallen van de sultans van Delhi. Mandu werd de hoofdstad van
een bloeiend islamitisch koninkrijk. Aan het einde van de 17e eeuw stichtten de
Mahraten een koninkrijk dat zijn macht uitbreidde over heel Centraal - India.
Madhya Pradesh, als politieke en taaleenheid gesticht in 1956, bestaat uit een
aantal voormalige vorstendommen waaronder Bhopal, Gwalior en Indore. Meer dan
80% van de bevolking woont in dorpen. De economie van de regio, is zwak en de
levensstandaard erg laag, ondanks het feit dat de vestiging van enkele
industrieën enige verbetering heeft gebracht. De vele monumenten getuigen van
het rijke verleden van het gebied.
WETENSWAARDIGHEDEN
Hoofdstad: Bhopal (1 miljoen inw.)
Belangrijkste steden: Jabalpur, Indore, Gwalior, Raipur, Bhilai, Ujjain
Talen: Hindi en verwante dialecten (Malwi, Bundelkhandi, Chattisgarhi), Bhili,
Gondi, Kurukh
Munteenheid: Indiase roepie
Godsdiensten: hindoeïsme, animisme
Rivieren: Narmada, Sind, Son, Mahanadi, Tapti, Chambal
Belangrijkste meer:.Rihand Sagar
Gebergten: Vindhya, Kaimur, Satpura
CIJFERS
Oppervlakte: 443.446 km2 / Bevolking: 66 miljoen inwoners (merendeels van
Indo-Arische oorsprong)
Bevolkingsgroepen: Bhil en Gond / Bevolkingsdichtheid: 149
inw./km2
Hoogste punt: 1353 m (Mahadeo)