|
|
|
|
|
|
|
|
|
Een hotel (het tamelijk dure Joshi Hotel) vonden we vlakbij in de stationsstraat. Aan de balie zoals altijd weer volop formulierenwerk voor Jos, wat een rompslomp. Wilden we ons eens lekker gaan opfrissen, toen we opnieuw verrast werden, nu onaangenaam want de douche bleek alleen warm water te produceren. Dat bleek bij navraag nog de bedoeling te zijn ook: Rare jongens, die Indiërs .... Een grote pot koffie drinken, de cooler en de fans op volle kracht en natuurlijk een uiltje knappen. Gewapend met de gevulde veldfles gingen we om 12 uur de stad in. De eerste indruk van reinheid die we op het station opdeden, werd nogmaals bevestigd: de stad zag er goed verzorgd en netjes uit. Er was weinig gemotoriseerd verkeer, maar des te meer fietsers. We liepen snel de "nieuwe" stad door naar het grote fort. Daar moesten we een half uur wachten op de verplichte gids. Met een groepje van 10 Indiërs (uit de middenklasse met verwende kinderen) en 2 Engelse kostschool - jongens (onderkoelde humor: "Look at those gardens: Fire the gardener!") werden we door het fraaie paleis geloodst. De gids was voor ons onverstaanbaar. Hij was een oude, besnorde ijzervreter die een Engels van eigen maaksel gebruikte. Om te mogen fotograferen moesten we 10 Roepie extra betalen. We dronken thee en fris onder de poort. Even later staken we ons licht op bij het plaatselijke VVV‑kantoortje, dat erg karig was uitgerust. De ansichten waren er wel van zeer matige kwaliteit en bovendien nogal duur. De jongeman achter het bureau adviseerde ons naar de kamelenfarm te gaan. |
Na een half uurtje in een park rondgelummeld te hebben, namen we een scooterriksja richting woestijn. De zinderende hitte was onverdraaglijk, het was alsof er een ovendeur werd opengetrokken. Badend in het zweet kwamen we bij de farm aan. We tekenden het receptieboek aan de ingang en kwamen er vervolgens al gauw achter dat we te laat waren: de kamelenkuddes waren al terug uit het veld en stonden zich flank aan flank te verdringen bij de voerbakken en watertroggen. Fokstieren, pasgeboren kalveren en zieke dieren werden in open stallen apart gehouden. We hielden het hier niet lang uit; de hitte bleef aan onze ledematen likken en wanhopig sprongen we van schaduw naar schaduw, het mocht niet baten. Overigens, in de farm was ook nog een wetenschappelijk researchinstituut gevestigd.
![]() |
![]() |
Weer terug in de stad dronken we thee. Eens te meer hadden we de grootste moeite om de kelners aan het verstand te brengen dat we thee zónder melk wensten. Voortdurend werden we met dit probleem geconfronteerd: het begrip "black tea" is alleen bekend in toeristensteden. In het hotel gaven we onze vuile was af en eiste Jos schone lakens.
's Avonds stropen we de stad af op zoek naar broeken. We vinden wel veel stofwinkels, maar kleermakers..., ho maar! We eten in het Garden Hotel, dat zich richt tot de westerse trekker met een smalle beurs. Het wordt omelet met friet (!), milkshakes en "cold coffee". Het wordt in Bikaner ons favoriete restaurant. Buiten is het druk. Tegen de avondschemering wordt de temperatuur lekker aangenaam en lopen de straten vol. Om 22.00 uur sluiten de winkels, waarna binnen een kwartier de stad is uitgestorven. Jos koopt een schaartje om eventueel zijn baard af te scheren bij de douane. We verjagen een stel kinderen dat ons lastig valt.
We drinken bier in een wijnhol, gezeten tussen de kratten en de dozen. Clim voert een langdurig gesprek met een Rajput‑afstammeling, die nu grootgrondbezitter/farmer is aan de Pakistaanse grens. Hij verbouwt er voornamelijk tarwe en katoen. De plaatselijke winkeliers lopen af en aan om hun lege flesjes sodawater met kleurloze gin te laten vullen. Wat zijn het toch hypocrieten. Op de kamer bekijken we het Engelstalige nieuws op de t.v.: veel aandacht voor Sri Lanka, India en Pakistan. Over de rest van de wereld nauwelijks iets. Clim begint in het restaurant aan zijn vijfde brief naar Jeanine. Jos haalt op de valreep snel nog wat flessen bier. Om 23.00 uur valt het licht uit, gelukkig maar even. Voor het slapen gaan halen we traditiegetrouw nog even de cryptogrammen te voorschijn.
De helft van onze reis zit er op: We slapen lekker lang uit, in deze omstandigheden wil dat zeggen: tot negen uur. We bestellen koffie op onze kamer. Voor we het buiten de stad gelegen Lalgarh Paleis gaan bezoeken, reserveren we bij het station probleemloos 1e klas kaartjes naar Jodhpur voor de volgende dag. Jos wordt door een sympathieke machinist uitgenodigd om een eind mee te rijden met een rangerende stoomlocomotief, maar dat past niet in onze plannen. We slaan een grote watervoorraad in en gaan op weg.
Bij het paleis aangekomen
spreken we met de chauffeur van de scooterriksja af dat hij ons om half één zal
komen oppikken. Het paleis ziet er imposant uit. Het is relatief nieuw
(bouwjaren 1902‑1926). Een vleugel is ingericht als luxe‑hotel (met vooral
Italianen en Fransozen als gasten), terwijl de andere vleugels nog steeds in
gebruik zijn door de huidige Maharadja (die overigens een graad uit Oxford
bezit). De jonge, verplichte gids is aardig en toont ons de te verwachten
bezienswaardigheden: de immense balzaal, de weelderige ontvangsthal, de
garderobes van de edellieden, de jachttrofeeën, de kunst‑ en
speelgoedverzameling, veel foto's en wapens, maar ook het overdekte zwembad en
de oude transportmiddelen. De Maharadja leefde/leeft in Europese stijl; hij was
o.a. Olympisch kampioen "shooting" en beoefende met verve de golf‑ en polosport.
De hotelkamers ademden de sfeer van de jaren '30, géén airco maar uiteraard wél
air‑cooler. We belonen de jongeman met een forse tip. Clim probeert hem te
jennen met de hockeynederlaag van India tegen het Nederlandse team.
![]() |
![]() |
Om half één staan we bij de ingang te wachten op onze chauffeur. Hij is er nog niet. Om één uur is hij nog steeds niet verschenen. Jos laat de receptie van het hotel voor nieuw vervoer zorgen. In de tussentijd doodt Jos de tijd met een wandelingetje door de tuinen (ondanks de droogte redelijk onderhouden, bevolkt door talloze schuwe pauwen), terwijl Clim de veilige schaduwen opzoekt. We maken nog een moeizaam praatje met een drietal studenten en drinken squash in de monumentale lounge van het hotel. Om kwart voor twee verschijnt eindelijk de beloofde riksja. De chauffeur drijft direct de prijs op, waarmee wij wel akkoord moeten gaan. We delen de kosten met een meerijdend Engels stel dat naar Circuit House moet. Bij de Kota Poort stappen we uit. De chauffeur eist meer geld (vanwege de Engelsen), maar hij kan ons de pot op en laten dat merken ook.
|
|
We trekken de oude, ommuurde binnenstad in. Eigenlijk is het veel te heet, voor welke activiteit dan ook. We hebben er veel bekijks, hetgeen ons op de zenuwen werkt. Een opgeschoten knul doet met veel branie alsof hij ons omver wil lopen. Hij heeft echter Clim's gemoedtoestand onderschat, want die wordt woest en dreigt zelfs met hem op de vuist te gaan. Jos weet hem bijtijds te kalmeren. We drinken thee in een schamel hok, kopen bananen en besluiten de stekende zon te ontvluchten en te gaan schuilen in het hotel. In "ons" restaurant doen we ons te goed aan milkshakes en lassi. Het restaurant was 's morgens gesloten geweest vanwege een sterfgeval, althans, zo menen we te begrijpen. Tijdens onze omzwervingen in de bazaar hebben we nergens broeken te koop aangeboden gezien.
|
|
In onze kamer gaan we onder zeil, het zal een uur of vier zijn geweest. Pas tegen half acht worden we wakker. We hebben in de hitte, ondanks de op volle toeren werkende air‑cooling, onrustig geslapen. We hebben allebei last gehad van nachtmerries. Futloos gaan we thee drinken aan de overkant en eten we friet en groenteballetjes. Jos moet de dorpsgek wegjagen, die wel een minuut lang met zijn neus boven zijn gehoorapparaat hangt. Clim begint de brief naar zijn vriendin Jeanine af te maken. Jos doet nog wat boodschappen, maar vergeefs: geen Engelstalige kranten op station en, nog erger, de drankenshop is dicht! Als slaapmutsje moeten we ons behelpen met het inlandse bocht (zgn. Indian whisky) dat we de vorige dag hebben aangeschaft. Op de t.v. volgen we een aflevering van "Derrick", in het Engels nagesynchroniseerd. |
|
Om 11 uur checken we uit. We laten de bagage nog een paar uurtjes in het hotel staan, want pas laat in de avond gaat onze trein richting Jodhpur. Gebakken eieren als ontbijt. We gaan te voet naar de Rattan Bihari Tempel, welke we bereiken via een tussendoortje. Vandaag wordt de heetste dag van onze reis: 44 graden Celsius in de schaduw. Hoe we ook zoeken, we vinden de ingang van de tempel niet. Clim ziet het niet meer zitten en is tot niets meer in staat. Hij blijkt een volkomen"black out"te hebben. Uitgeteld liggen we eerst op een tempelveranda, later in het gras van het parkje nabij. We dwingen onszelf na een tijdje om verder te drentelen, elk spoortje schaduw benuttend en elk lokaaltje met een verkoelende fan onze klandizie gunnend. En maar drinken ... mineraalwater, plaatselijke citroendrankjes, sinaasappelsap, Limca, enz.
![]() |
![]() |
Uiteindelijk bereiken we het station, waar we plaatsnemen in de 1e klas wachtkamer. Clim valt direct in een slaap vol nare dromen; hij blijft als een otter zweten, niet meer normaal! Ondanks de puzzels begint Jos zich te vervelen. Hij wandelt wat rond. Aan een theestalletje probeert een brutale vlerk iets met zijn schoudertas uit te halen, waarop Jos hem een lel verkoopt. De getulbande omstanders kiezen onbegrijpelijkerwijs (of misschien wel niet) partij voor het straatjoch en dringen duister uit hun ogen kijkend dreigend naar Jos op. Deze zoekt wijselijk bescherming bij de theekraamhouder, die de zaak sust.
Tegen zeven uur 's avonds
versterken we tegen heug en meug de inwendige mens. We pikken onze bagage op die
in het hotel achter slot en grendel stond. Clim voelt zich nog steeds belabberd.
We vullen onze veldfles met citroenwater en zorgen voor mondvoorraad voor
onderweg. Terug in de wachtkamer hebben we gezelschap gekregen van een
Sikh‑familie en een Engelse vader met zijn opgeschoten kroost. Er volgt een
langdurige stroomuitval (alleen de toeristen blijken zaklampen mee te voeren) en
onze 1e klas‑kaartjes worden gecontroleerd door een kreupele ambtenaar. Hij
noteert onze namen in het gastenboek. We kunnen er van goede sanitaire
voorzieningen gebruik maken, maar helaas..., ook hier komt slechts heet water
uit de kraan en de douche. Clim slaapt meestal. 0m half elf kunnen we de trein
in. We installeren ons direct. We hebben twee Indische medereizigers; beiden
zijn handelsreiziger. De trein vertrekt punctueel om 23.00 uur. De dikke Indiër
wil persé met het raampje open reizen, hetgeen na 5 minuten al resulteert in een
lading woestijnzand, dat in al onze lichaamsopeningen kruipt. Het
wordt een wilde tocht, we bonken en slingeren heel wat af. In korte broek gaan
we een lange nacht tegemoet. Gelukkig doen de fans wel redelijk hun werk.
|
|
Meest romantische deelstaat van India
Het Aravalligebergte, dat dwars door Rajasthan loopt, vormt de scheiding
tussen
de woestijn in het westen en het vruchtbare land in het oosten.
De Indiase deelstaat Rajasthan beslaat de noordwesthoek van het Deccan-plateau
en valt uiteen in drie afzonderlijke regio's. De Tharwoestijn in het westen, aan
de grens met Pakistan, is een uitgestrekte droge vlakte met een keiachtige
grond, duinen en zandbanken, waar per jaar amper 200 mm neerslag valt. Deze
woestijn gaat over in een droog steppegebied, de Marwar, waar slechts één rivier
doorheen stroomt, de Luni. Het midden van de deelstaat wordt ingenomen door het
Aravalli -gebergte, een oud massief met gneisgesteenten, dat Rajasthan van
noordoost naar zuidwest in tweeën deelt. Deze bergketen, waarvan de berg Abu met
1722 m de hoogste top is, strekt zich uit vanaf deze berg tot aan de stad Ajmer
om vervolgens geleidelijk of te dalen in de richting van Delhi. Ten oosten van
dit gebergte liggen de Mewar en de oostelijke valleien, die door de bergen
worden beschermd tegen de zandwinden. Dit deel van Rajasthan is het vruchtbaarst
en profiteert het meest van de moesson. Er bevinden zich verscheidene
aanslibbingsbekkens, waaronder die van Jaipur, Ajmer en Kota. De rivier Chambal
vormt de grens van Rajasthan in een heuvelachtige streek, die doorloopt tot in
de deelstaat Madhya Pradesh. Door het bergachtig reliëf bezit Rajasthan vele
natuurlijke vestingen waar de Rajputen, de heren van de streek, gebruik van
hebben gemaakt om kastelen en citadellen te bouwen, die de provincie tot de
meest romantische van India hebben gemaakt.
CIJFERS
Oppervlakte: 342 200 km2 / Bevolking: 44 miljoen inwoners / Bevolkingsdichtheid:
128 inw./km2
Hoogste punt: 1722 m (Guru Sikhar of berg Abu)
BEZIENSWAARDIGHEDEN
Jodhpur, Bikaner, Jaisalmer, Jaipur, Udaipur, Ranakpur, Guru Sikhar (berg Abu),
Kota, Bundi, Ajmer, Pushkar, de streek Shekhavati (Mandawa, Nawalgarh,
Jhunijhunun, Fatehpur).
WETENSWAARDIGHEDEN
Hoofdstad: Jaipur (1,4 miljoen inwoners)
Belangrijkste steden: Jodhpur, Ajmer, Bikaner, Udaipur, Kota
Talen: Rajasthani, Hindi, Engels
Godsdiensten: hindoeïsme, Islam, katholicisme
Munteenheid: Indiase roepie
Gebergte: Aravalli
Land van de radja's
Rajasthan is al duizenden jaren door mensen bewoond, maar het zijn vooral de
Rajputen die een duidelijk stempel hebben gedrukt op deze aparte deelstaat.
BRONNEN VAN INKOMSTEN
Landbouw: tarwe, rijst, katoen, aardnoten, gierst, grauwe erwten. Nomadische en
semi-nomadische veeteelt (schapen, geiten, kamelen). Spinnerij, wolweverij.
Zink, asbest, marmer, bruinkool, pyriet, steenzout, lood, zilver. Industries
textiel, werktuigen, metaal. Bouw. Toerisme, bedevaart.
Het staat vast dat de oude Indus - beschaving meer dan 4500 jaar geleden
voorlopers heeft gehad in Rajasthan. De streek, die werd bewoond door de stammen
Bhil en Mina, werd in 1400 v. Chr. veroverd door de Ariërs. In de loop van het
2e millennium voor het begin van onze jaartelling werd het gezag er veroverd –
en weer verloren – door achtereenvolgens de Afghanen, Turken, Perzen en Mogols.
Van de 6e eeuw tot de stichting van het sultanaat Delhi in 1206 bestond
Rajasthan uit verschillende koninkrijken die elkaar vijandig gezind waren. In de
16e eeuw veroverden de Mogols de Gangesvlakte, terwijl de Rajputen hun in het
zuidwesten felle weerstand bodes. Deze strijdlustige krijgsheren, die zichzelf
"Koningszonen" noemden, waren wellicht afstammelingen van de Scythen, van de
Heftalitische Hunnen of van volkeren uit Centraal - Azië. Omdat de Rajputen maar
niet voor geweld wilden zwichten, nam de grootmogol Akbar zijn vijanden voor
zich in door middel van huwelijksverbintenissen. De een na de ander legden de
radja's de eed van trouw af. Toen de macht van de Mogols later begon te
verzwakken, hervonden de Rajputen hun soevereiniteit. In 1757 begonnen de
Britten met de verovering van Bengalen. Rajasthan verzette zich aanvankelijk
tegen de Britse invasie maar gaf zich, toen het bedreigd werd door de Marathen,
toch over en erkende de Engelsen als de nieuwe beschermheren. In de 19e eeuw
stonden vrijwel alle maharadja's hun macht of aan de Britten en behielden
slechts een beperkte zelfstandigheid voor interne bestuursaangelegenheden. Bij
de onafhankelijkheid sloten drieëntwintig vorstendommen zich aaneen om samen de
deelstaat Rajasthan te vormen. Tegenwoordig is het succes van het toerisme
grotendeels te danken aan de radja's, die zonder bedenkingen hun landgoederen
hebben verbouwd tot paleizen en hotels.
KLIMAAT
Droog. Moesson in juli - augustus. Gemiddelde temperaturen: 16° C in januari,
32° C in juli.