Dag 6
Maandag 9 juli: Villandry - Tours - Chatêllerault - Poitiers - Bellac –
Limoges
240 km |
Op de voor ons normale tijd opgestaan, een koude douche genomen, gebikt en
weer op weg. Rond Tours was een omleiding. De Fransozen hadden dit weer eens
heel raar geregeld, maar we kwamen er toch nog uit. We reden nu door de
graanschuur van Frankrijk: het is daar één grote vlakte met af en toe een
agrarisch dorpje aan de RN geplakt.
De stad Poitiers (Karel Martel verdrijft de Moren uit Frankrijk, weet je nog
wel?) deden we niet aan. Achter Bellac kwamen we in de Limousine, een golvende
landstreek. Het terrein werd iets meer geaccidenteerd. In Limoges brachten we de
nacht door op de stadscamping, die naast de rivier gelegen was. We hadden een
leuk plekje onder de bomen gevonden, zodat we 's morgens niet zo snel door de
zon uit de tent gebrand konden worden. We gingen te voet de stad in. Vlak bij
het oude, pompeuze station aten we in een restaurant: frites, rijst, gepaneerde
hersens (kalf), een kom salade, wijn en een "plat de fromage" toe. De salade en
de fromage waren verrukkelijk, de hersens bevielen minder. (Sjaak en Jos M.
kwamen er pas later achter dat het hersens waren en gruwden toen nog meer.) We
speelden nog wat poolbiljart, flipperden en slenterden door de uitgestorven
stad. Er was niks te doen. Voor het eten had Jos S. mondvoorraad ingeslagen in
een klein allerhande winkeltje. Het was daar erg gezellig. Jos M. keek vergeefs
uit naar roze of lichtblauw Limoges porselein voor zijn moeder. We werden een
winkel binnengeloodst, maar daar was niets van zijn gading. We gingen vóór enen
al onder zeil.
Dag 7
Dinsdag 10 juli
Limoges Brive - Sarlat - Cahors - Gaillac – Albi 320 km. |
Voor ons vertrek uit Limoges kochten we eerst enige Nederlandse kranten,
ansichtkaarten, een Franse Roodbaard - uitgave en de twee leukste en kritische
blaadjes van heel Frankrijk; Charlie Hebdo en Le Canard Enchainé. Ook nu was het
weer goed, maar van zonnebaden kwam, ook al zou het onze bedoeling zijn geweest,
niets terecht. Een stuk achter Limoges verlieten we de RN en kwamen we op een
bochtig en slecht geplaveid traject, dat ons naar de fameuze grotten van Lascaux
zou moeten leiden.
Naarmate we zuidelijker kwamen, werd het landschap levendiger en de omgeving
armoediger. Het verschil tussen stad en platteland is in Frankrijk nog
levensgroot. Het bezoek aan de grotten was een tegenvaller: slechts een keur van
10 zorgvuldig geselecteerde wetenschapsmensen en hoogwaardigheidsbekleders
mochten de grot eens per jaar betreden. Dit stond in verband met de conservering
van de schilderingen; te veel bloot staan aan menselijke ademtocht en lijflucht
zou dit hun kwaliteit zeer snel ten kwade komen. Er was niet veel toeristische
aanloop. We dronken wat fris en maakten een praatje met een oude streekbewoner
over de onderschatte waarde van het gebruik van muggen in plaats van cochons
(varkens) bij het opsporen van de kostbare truffels. In de Limousin wordt veel
op truffels "gejaagd". Vlakbij stond een houten keet, waar men een "grande
spectacle audiovisuelle” zou opvoeren. Ook dat viel hard tegen; het bleek te
bestaan uit het vertonen van versleten dia's, waarbij een monotoon brommende en
onverstaanbare Franse toelichting ten gehore werd gebracht.
Tenslotte maakten we nog een wandeltochtje naar de top van de heuvel waarin de
grotten lagen. Op weg naar Albi bleven we kiezen voor kleinere wegen, niet
alleen om de drukte te omzeilen, maar ook om wat van het ruige natuurschoon te
kunnen genieten. Hierdoor schoten we wel veel minder snel op. De streek waar we
doorheen tuften, wordt vaker wel de armste regio van Frankrijk genoemd. De
vlucht van de jeugd naar de stad is of er duidelijk: veel dorpjes worden nog
slechts bewoond door een tiental grijsaards, die daar hun leven slijten zoals ze
het altijd gedaan hebben. Veel Hollanders met zwart geld kopen er een bouwvallig
boerderijtje op, verbouwen het pand en laten het gedurende enkele maanden per
jaar door familie en kennissen bewonen. De Hollanders zijn niet erg geliefd in
deze streek: ze zijn te bezitterig en te krenterig in de ogen van de gemiddelde
Midi - bewoner.
In de late namiddag kwamen we in Albi aan. Voor we een camping gingen zoeken,
kochten we eerst vlees bij de charcuterie. De camping lag uit de stad en had
redelijke voorzieningen. Terwijl Jos het eten bereidde, gingen Sjaak en Jos M.
zich verfrissen. We aten groentesoep, kalfskoteletten en boontjes. Als toetje
dronken we gekoelde melk. Met de auto gingen we stappen in de stad. Het was een
zoele zomeravond, waarop het alleen goed toeven is op een gezellig terras. Dat
deden we dus ook en wel in een tent waar Johnnie Halliday (een oude, Franse
vetkuif popster) iets mee te maken had. Later gingen we naar binnen om te
biljarten. De tafel was van uitzonderlijk slechte kwaliteit; het laken was niet
zoals het hoort groen, maar grijs van het stof. We speelden met ene Tony, die
eigenlijf Dominique heette. Hij was een van de weinige Fransen die wat Engels
sprak. Zijn Engels was slecht, evenals zijn biljartcapaciteiten (pousser!). Jos
S. zat ondertussen met een geëmigreerde Spanjaard te praten. Even later kwamen
enkele militairen binnen, niet luidruchtig zoals in Nederland gebruikelijk, maar
stil en bescheiden. Ze waren allen kaalgeschoren. Jos S. knoopte met hen een
gesprek aan, waarin veel zaken die in Nederland en Frankrijk verschillen
besproken werden. Jos M. en Sjaak konden later over de militaire dienst en de
krijgstucht ook een verantwoorde duit in het zakje doen.
Tegen enen vertrokken we. Jos M. scheurde de hele stad door om een brievenbus te
vinden. Jos S. was het daar niet mee eens: hij vond dit maar gevaarlijk in een
wildvreemde, buitenlandse stad en dan ook nog in het holst van de nacht en met
een stuk in de kraag. Hun meningsverschil laaide gelukkig niet hoger op, hoewel
het stilzwijgen af en toe pijnlijk werd. Sjaak hield zich zoals gewoonlijk
afzijdig. In de tent gingen Sjaak en Jos M. toch in de clinch, maar nu over
dienst. Ze werden onderbroken door een rasechte“Wiërter stum", die hun een eind
verder op de camping "plat" had horen praten. Hij dronk natuurlijk direct een
flesje bier mee. Toen hij na een tijdje vertrok, was het bier op en hadden we
geen geldig excuus meer om niét te gaan slapen. Het was inmiddels 4 uur in de
morgen.

|