BANAUE

Naar Banaue Fotocollage  /  Naar Kinderen Fotocollage

MEER INFO LUZON

Donderdag 19-02-2009


Al om half zes ben ik uit de veren. Tegen half zeven worden we in de lobby opgewacht door een vrouwelijke gids van in de veertig. Zij is ietwat aan de mollige kant en heet Corazon (zeg maar “Cory”) en spreekt naast Engels zowaar ook Duits (de Duitsers in ons gezelschap beheersen nauwelijks het Engels, dat hebben zij in de DDR nooit kunnen leren). Als ik de immer vrolijke Cory later vraag waar zij zo goed Duits heeft leren spreken, antwoordt zij kort en kracht “In Bett!”. Zij blijkt zes jaar lang met een Duitser in Mannheim getrouwd te zijn geweest. Na de Wende liep de relatie stuk en keerde zij terug naar haar geboorteland.

VERKEERSBORD

CAUTION! YOU ARE ENTERING NOW AN ACCIDENT PRONE AREA!

 

We vertrekken voor onze vierdaagse excursie naar de hooglanden van Midden - Luzon in een halfleeg busje naar een ander hotel waar we de rest van het gezelschap gaan oppikken. Die groep bestaat grotendeels uit Amerikaanse Filippino’s van oudere leeftijd. We komen één persoon te kort, Cory besluit op haar te wachten. Na een half uur vergeefs wachten begint het volk in de busjes te morren, met name de Filippino’s tonen zich verongelijkt en ontpoppen zich tot assertieve klanten. “Excuse my language, but we are really pissed off!” fulmineert een zeventigjarige Filippijnse grootmoeder uit San Diego. Ook anderen tonen zich embarrased en vinden het niet fair dat ze moeten wachten. Tegen zoveel oppositie kan Cory niet op en we vertrekken dan ook maar richting rondweg.

Er volgt een 10 uur durende rit die in drie etappes onder te verdelen is. Het eerste gedeelte voert ons over autosnelwegen naar het noorden, tot aan de voormalige luchtmachtbasis van de USA, de Clarke Air Force Base . Die werd in 1992 ontmanteld toen de Filippijnen een meer onafhankelijke politieke koers gingen varen. Vlakbij ligt ook Angeles City, waar de Amerikaanse militairen zich met de duizenden hoertjes konden vermaken. De afslag naar Subic Bay (een kleine 100 kilometer westwaarts, daar lag de Amerikaanse marinehaven) ligt vlakbij.

Het tweede gedeelte loopt door de vruchtbare laagvlakte van Luzon, waar de vlakke rijstvelden en andere landbouwgronden zich bevinden. De streek is dichtbevolkt. Onze busjes jakkeren door relatief welvarende dorpjes met steevast een of twee kerkjes (één katholiek, één protestant). Twee keer houden we in wat grotere provinciestadjes halt: bij een McDonalds voor koffie en bij een heus wegrestaurant oude stijl met zelfbediening om te lunchen (lekkere rijst en veel goulash van buffelvlees voor anderhalve euro), tenslotte een keer bij een benzinestation om te tanken en fris te kopen. De stadjes zijn uiterst bedrijvig. Er worden veel landbouwspullen verkocht. De straten van de centra zijn verstopt met trishaws en plattelands-jeepneys, te herkennen aan hun aftandse en roestige aanblik. Hier komen weinig toeristen, want we hebben steevast veel bekijks.

 

DORPSWINKELS

De dorpswinkeltjes zijn meer in elkaar geflanste kiosken. De meeste zijn genoemd naar hun eigenaar, vooral vrouwen: Daisy’s Store, Emily’s Store, Betty’s Store, Jenny’s Store, Linda’s Store, Lizzy’s Store. Veel meisjesnamen hier eindigen op –y of -a.

 

Voor de laatste etappe gaan we de bergen in. De toppen reiken hier tot bijna drieduizend meter en liggen dicht bij elkaar, wat spectaculaire vergezichten oplevert. Alles is mooi groen en de tropische vegetatie weelderig. Naarmate we hoger komen verschijnen er zelfs dennenbossen in beeld, niet bepaald een tropische gewas. De bevolking hier is aanzienlijk behoeftiger dan die op de laagvlakte of in de steden. Er is weinig grond beschikbaar, die is gereserveerd voor de teelt van voedergewassen en rijstterrassen. De mensen wonen op en boven aan de steile hellingen die niet geschikt zijn voor landbouw. Hun krotten balanceren letterlijk boven de afgrond. Het schijnt de vele kindertjes op blote voeten niet te deren, zij blijven onverminderd vrolijk rondrennen. Zeker nu de scholen net zijn uitgegaan staan ze allemaal in hun schone uniformpjes te zwaaien naar ons vreemdelingen. De slingerwegen zijn ronduit gevaarlijk, vooral vanwege de onverwacht opduikende gaten in het wegdek, de overblijfselen van recente aardverschuivingen en het ontbreken van een reling langs de dieptes. Gelukkig is er niet veel verkeer op deze dodenweggetjes.

DE BEVOLKING

IS UITERST GEDIENSTIG, OP HET SERVIELE AF. IEDEREEN DIE ER TOE DOET SPREEKT GOED TOT UITSTEKEND ENGELS.

Naar Kinderen Fotocollage

Als we een pas van meer dan 2.000 meter ronden komt er mist opzetten, langzamerhand gaat die over in motregen. De bewoners langs de weg leven van houtbewerking en bieden hun soms erg fraaie producten te koop aan. Hun woningen zijn van steeds slechtere kwaliteit: verroeste golfplaten, matten van stro, muren van karton, triplex, gevlochten rotanvezels en blikken platen. Vaak zijn de hutten gebouwd op een stellage van houten palen die als een balkon boven het ravijn is gebouwd. De betere huizen staan op betonnen zuilen. Het vee loopt er los rond; het pluimvee vliegt alle kanten op als we met onze busjes passeren. Vette varkens zitten in smerige kotten opgesloten. Talloze honden liggen op het wegdek te zonnen en wijken geen centimeter voor onze voertuigen. Zij zijn helemaal niet agressief hier, ik heb al die dagen niet één hond horen blaffen of grommen.

In de bus vind ik Anschluss bij wat oudere Filippino mensen uit Californië. Zij spreken over zichzelf als “we septigenarians”, ofwel wij zeventigjarigen. Liz, een voormalig makelaar uit San Diego, begint me haar levensverhaal te vertellen. Ze start haar life story met de dood van haar Amerikaanse vader uit Ohio die door de Jappen tot stervens toe werd gemarteld nadat hij door een guerrillastrijder voor een handvol zilverlingen verraden was; het spoorloos verdwijnen van haar Filippijnse moeder in de nadagen van de oorlog en haar afschuwelijke jaren doorgebracht in “that hell of an orphanage”; een weeshuis dat we in Manilla trouwens voorbijgereden zijn; emotioneel wijst Liz het aan. Voor haar is deze reis een soort “back to the roots”. Ook met haar vriendin Beth heb ik een leuk contact, alsmede met de sympathieke “retired accountant” Fil uit San Francisco. Hij reist nu de hele wereld af met zijn enorme analoge camera. In Rio is hij op het strand van Copacabana “in broath daylight” overvallen door jochies van een jaar of twaalf. Hij weet feilloos de Hollandse attracties op te noemen: Windmills of Kinderdaik, Wolendem, the Tulips of Koikenhoof, Anne Frank - house”.

RECLAME LANGS DE WEG:
PHILIPS LIGHTING LAST LOOOOOONG TIME!

Tegen zonsondergang bereiken we ons driesterrenhotel in Banaue. Het ligt even buiten het dorp op een vooruitgeschoven rotspunt boven de rijstterrassen; mooi uitzicht vanuit de kamers dus. Het is helemaal van hout gebouwd. Het personeel is gestoken in lokale klederdracht en begroet ons met thee en koekjes. Ze behoren hier allemaal tot de Ifugao - minderheid. Deze bevolkingsgroep maakte ooit deel uit van de oorspronkelijke bevolking duizenden jaren geleden. Nog geen honderd jaar geleden waren sommige stammen nog koppensnellers, maar de Amerikaanse zendelingen en Belgische paters hebben daarmee korte metten gemaakt. Tegenwoordig zijn deze ietwat gedrongen bergbewoners zonder uitzondering christen. Uiterlijk en wat culturele gebruiken betreft lijken ze op de geïsoleerd levende stammen van de eilanden Sumatra en Borneo in Indonesië, de Bataks en de Dayaks. Ook doen ze me denken aan de Akha - bergstam in Thailand. Al die volkeren leefden ooit op het vasteland van Zuidoost-Azië, voordat ze door de Thai en de Cambodjanen en die op hun beurt weer door de Han - Chinezen waren verdreven.


Om zeven uur meld ik me voor het buffet dat naar omstandigheden goed is, maar ook beduidend duurder: 8 euro. Evengoed nog een alleszins schappelijke prijs. Op de kamer ontbreekt een televisie en een minibar. De kamer heeft ook geen koffiezetapparaat, maar wel een thermoskan waarin je heet water voor thee kunt laten brengen. Mijn dompelaar kan ik niet gebruiken, omdat de adapter die ik heb meegenomen wel werkt, maar de stekker van de dompelaar te groot is. Ik kan roken op het balkon. De kamer heeft ook geen airconditioning, maar die is hier niet nodig. Zelfs ‘s nachts is het net niet te koud om in pyjama op de dekens te slapen.


Vrijdag 20-02-2009

Om kwart voor zes sta ik op mijn balkon om de zon op te zien komen. Het voorspelde prachtige kleurenpalet blijft echter uit en teleurgesteld begeef ik me naar beneden voor een vroeg ontbijt. Om 8 uur zijn we weer op pad voor een excursie door de directe omgeving. We stoppen bij een drietal view points, van waaruit we een panoramische blik op de befaamde rijstterrassen hebben. Bij een ervan zitten afgeleefde oude inboorlingen in authentieke kledij, tegen een bescheiden vergoeding mag je ze fotograferen. Ik vind het een beetje een beschamende toestand. We rijden terug naar het hotel waar ondertussen de laatkomer van gisteren gearriveerd is. Het betreft een Australische vrouw van middelbare leeftijd. Zij had ons misgelopen omdat haar vliegtuig door een storm vertraging had opgelopen.

De groep gaat vervolgens eerst in het dorp “winkelen” (vooral souvenirs) en vertrekt daarna voor een trekking door de velden. Daar pas ik voor, met mijn broze enkels en knieën zie ik zo’n tocht met stijgen en dalen niet zitten. Ik blijf in het dorp rondhangen, maak een brandweeroefening mee die alleen door goedlachse kleuters gadegeslagen wordt, zit een uur lang moederziel alleen tussen de poezen op een balkon thee te drinken en bekijk de dorpstaferelen onder me. De stokoude opoe die me de thee bezorgt krijgt een vette fooi (een kwartje, wow! De thee kost hier een dubbeltje). Daarna wandel ik naar een lager gelegen dorp. Dat ligt echter zonder enige schaduw in de zon te blakeren, dus keer ik om en gebruik ik een gammele hangbrug om naar Banaue terug te keren. Een motorriksja brengt me terug naar het hotel. Het is dan pas twaalf uur. De koffie in het hotel is afschuwelijk, dus drink ik thee op mijn kamer met koekjes bij wijze van lunch en begin op het balkon een boek te lezen. Na een tijdje begint het me te kriebelen. Ik kan mijn tijd hier wel beter besteden en besluit de rijstvelden aan de voet van het hotel nader te gaan verkennen.


AVONTUUR

Allereerst beland ik na een fikse afdaling bij een nederzetting met straatarme inlanders. Ze verkopen wat houtwerk en werken verder op de velden. Hun gammele woningen staan op palen. De kindertjes zijn bijna naakt. De honden gapen lusteloos. De hanen waken parmantig over hun kippetjes. Ik loop de velden in. De aarden walletjes die de velden scheiden zijn hier vervangen door beton, dat wandelt lekker. Maar al gauw gaan ze over in lemen dijkjes met smalle paadjes.

Ik kom twee jongens van rond zestien tegen die zich als gids aanbieden. Daar ga ik op in. Voor vier euro charter ik hun. Zij zullen me naar een verderop gelegen groter dorp leiden waar ik dan een jeepney terug naar het hotel kan nemen. Het is stralend weer, de jongens zijn aardig en spreken een behoorlijk woordje Engels; niets aan de hand dus. We zijn ongeveer halverwege als we over een wat breder pad langs een irrigatiekanaaltje langs de bergwand lopen. Het lijkt veel op de levada’s in Madeira, hetzelfde systeem. Plotseling valt er een schaduw over ons heen. Van achter de berg trekt een donkere wolk onze vallei binnen. Ik hoor donderslagen en zie bliksemschichten. Niet lang daarna breekt er een tropische storm los. Het zicht wordt door dat regengordijn beperkt tot nog geen tien meter. Ik steek mijn paraplu op, maar dat heeft weinig zin. Een van de boys: “Your umbrella is too small, sir!” Inderdaad, ik raak hoe dan ook tot op mijn bot doorweekt. Om mijn rugzak met de important things droog te houden ga ik mijn rugzak op mijn buik dragen. Die tactiek heb ik van de inlanders afgekeken. Nadeel hiervan is dat ik niet meer kan zien waar ik mijn voeten neerplant.

We bereiken een soort schuilhut, een afdak op vier betonnen palen. Daar krijgen we gezelschap van steeds meer inlanders die de velden zijn ontvlucht. Na een tijdje sta ik, met mijn schamele 1.76 meter toch nog een kop groter, midden tussen de haveloze dijkonderhouders met rode tanden van het betelsap, een soort wegwerkers dus. Ze behoren tot de laagste klasse, want ze zijn landloos. Een van hun begint monotoon te zingen, andere vallen hem bij, maar wel met een ander lied. Anthony, een van de guideboys, vertelt me dat ze met hun gezang de regengod tot bedaren willen brengen. Het wordt net geen kakofonie, maar van close harmony is absoluut geen sprake. De hevige slagregens houden aan. De boys stellen voor terug te keren, aangezien de wegen vanaf het doeldorp inmiddels onbegaanbaar zijn geworden en ik dus gedwongen zal zijn in het dorp te overnachten. Daar pas ik voor, dus ik stem met hun voorstel in en we gaan dezelfde moeizame weg terug.

Het wordt een tocht vol halsbrekende toeren, want de velden zijn overstroomd, de lemen paadjes op de dijkjes zijn weggespoeld of watervalletjes geworden. Daar moet ik dus doorheen. Vaak zak ik tot mijn knieën in de zuigende modder. Vooral langs het irrigatiekanaal is het link. Eén misstap en ik stort 20, 30 meter naar beneden. Ik hou echter mijn hoofd koel; paniek is het laatste wat ik in deze netelige situatie kan gebruiken. De twee gidsen trekken me letterlijk spekgladde hellingen op en weer af. Steeds meer dijkjes begeven het onder dat geweld en brokkelen af, waardoor we soms een omweg moeten maken.

 

Het kost ons tweemaal zoveel tijd om met veel gebalanceer terug te keren naar het inboorlingennederzetting. Daar tonen de jongens me een van hun voorouders die 120 jaar oud is geworden. In doeken gewikkeld komt een mannelijk skelet te voorschijn, de knekels worden door een oudere man zorgvuldig tot een toonbaar geraamte “gereconstrueerd”. Vol trots halen ze ook een primitief houten beeld te voorschijn: het stelt de rijstgodin met een heuse vaginale gleuf voor.

Tenslotte volgt nog een steile helling naar het hotel met een ‘trap’ van ongelijke treden tussen de 10 en 60 centimeter. Mijn roestige heupen en knikkende knieën schrijnen en weigeren steeds vaker dienst. Strompelend en mijn pijn verbijtend moet ik om de tien meter pauzeren om tot rust te komen. Hellingen beklimmen en trappen lopen valt me steeds zwaarder nu mijn spieren zo snel verzuurd raken (waarschijnlijk door mijn onlangs ontdekte schrompelnier). Vooral mijn linkerheup veroorzaakt helse pijnen, de tranen staan me in de ogen. Uiteindelijk bereik ik volkomen uitgeput mijn hotelkamer, waar ik linea recta met kleren en al onder de hete douche kruip. De hele douchevloer ziet bruin van het slijk. Ik spoel mijn schoenen grondig uit; het kost drie dagen om ze weer droog te krijgen.

‘s Morgens heb ik in de dorpswinkel een fles Cossack - wodka gekocht. Ik dacht dat die 650 pesos kostte, maar dat bleek slechts 65 p te zijn, welgeteld 1.20 euro! Ik besluit de fles te openen om de goede afloop van mijn hachelijk avontuur te vieren, maar ik krijg hem met geen mogelijkheid open. Uiteindelijk moet ik met behulp van mijn Zwitserse legermes een gat in de metalen dop boren. De wodka is plaatselijk gestookt en smaakt zoals hij moet smaken: smakeloos, maar wel sterk. De rest van de avond rust ik uit van de vermoeienissen. Het avondeten sla ik over.

GELEZEN LANGS DE WEG
IN OUR VILLAGE WE LOVE PEAS AND ORDER

 

Zaterdag 21-02-2009

Al vroeg zijn we op weg naar Bontoc en het nabij gelegen dorp Sagada dat bekend staat om de doodskisten van voorvaderen die tegen de bergwand hangen en de Sumaging - grotten. Na twee uur rijden over de slecht begaanbare bergweggetjes wordt het de chauffeurs van onze twee busjes te bar. Door de hevige slagregens van gisteren hebben er overal aardverschuivingen plaatsgevonden; deze zijn niet opgeruimd, want het is zaterdag en de overheidskantonniers hebben dan vrij. Het is onverantwoord om verdere risico’s te nemen, zeker omdat we dezelfde weg terug moeten en het in de namiddag steevast regent, waardoor de weg volledig geblokkeerd zal raken. We keren om, wat nog heel wat voeten in de aarde heeft op het smalle weggetje langs de gapende afgrond. Het volk in de busjes mort, ze missen nu een excursie waarvoor betaald is, dat zint hen niet. Ze vinden dat we met jeepneys hadden moeten gaan, die zouden de obstakels beslist wel hebben kunnen overwinnen. Zo stond het trouwens ook in de itinarary vermeld. Ik vind de beslissing echter heel begrijpelijk, het is uiteindelijk in ons eigen belang dat die trip afgelast is.

Als alternatief wordt er na de terugkomst een voettocht georganiseerd naar het dorp Batad dat ergens in een fraai dal gelegen is en waar de sawa’s nog mooier zijn. De oudere Filippino’s en ik voelen niets voor die extra inspanning en verblijven in en rondom het hotel die middag. De rest van de dag breng ik weinig actief door: ik luier wat in de tuinen, lees op het balkon. Ik lunch licht in het hotel, maar sla het avonddiner weer over. Ik voel de strapatsen van de vorige dag nog steeds in mijn benen.

DE JONGEREN VAN DE IFUGAO RIJDEN STOER MOTOR EN HEBBEN ALLEEN OOG VOOR HUN MOBIELTJES.

Zondag 22-02-2009

Om zeven uur 's ochtends vertrekken we met twee busjes naar Manilla, een tocht van 350 kilometer. Na 50 kilometer zijn we de bergen uit. Bij de laatste pas die we passeren ligt een monument voor een veldslag uit 1945, daar pauzeren we even. In een provinciestadje wordt om 1 uur gestopt voor de lunch. Er wordt een uitgebreid buffet voor de belachelijke prijs van 4 euro opgediend. Tijdens het eten leer ik de Australische beter kennen. Ze heet Rosa, haar vader was Italiaan, haar moeder Ierse. Ik maak grapjes over die combinatie, dat kan zij wel waarderen. Ze komt uit Brisbane, waar zij een ICT - baantje heeft. Onder het eten klokt zij twee flesjes Foster’s bier naar beneden.

De dorpjes en stadjes die we passeren hebben allemaal Spaanse namen. In de rijstschuur van Luzon hebben de steden namen als San José, Angeles, Santa Cruz, Zaragoza, Santa Rosa, La Paz, Santo Domingo. In de bergen daarentegen zijn de namen inheems, een teken dat de kolonisatoren zich daar niet vaak gewaagd hebben. Links en rechts van ons zien we de kegelvormige vulkanen Ayarat (en Pinatubo (voor het laatst in 1992 uitgebarsten). De Ayarat vormde een toevluchtsoord van de linkse guerrilla in de jaren zeventig en tachtig. De communistische leider heeft in 1989 in Nederland asiel aangevraagd en gekregen. Hij woont nu in Utrecht.

Midden in het spitsuur bereiken we Manilla. Het kost ons een uur om de stad te doorkruisen naar ons Heritage Hotel . We hebben dan al eerder afscheid genomen van onze Filippijns - Amerikaanse vrienden. We moeten opnieuw inchecken, wat nogal wat irritatie wekt door de bureaucratische rompslomp die ermee gepaard gaat. Ik blijf die avond op mijn kamer en geniet van ijskoude pilsjes die ik onderweg op de kop heb getikt en in de minibar koel heb kunnen houden. Via de Deutsche Welle verneem ik de zoveelste nederlaag van Bayern München. Ai, ai, van Bommel!

BANAUE

De rijstterrassen van Banaue worden in hun voortbestaan bedreigd. Niet door natuurlijke oorzaken zoals erosie, maar door sociale ontwikkelingen. De lokale jeugd wil niet meer op het veld werken en trekt weg uit het dorp. De terrassen worden niet meer onderhouden en vervallen door gebrek aan arbeidskrachten.

MEER INFO IN HET DUITS:

Reisterrassen der Ifugao, Stufen zum Himmel

Vor rund 2.000 Jahren wurden sie angelegt, die berühmten Reisterrassen im Norden der Philippinen. Ihre Baumeister waren die Ifugao, ein Bauernvolk, das vermutlich aus Indonesien stammte und sich in der unwegsamen Bergwelt der Kordilleren ansiedelte.

Banaue

Mühsam haben die Ifugao dem Boden ihr Hauptnahrungsmittel abgerungen. 1.000 Arbeitsstunden pro Hektar sind die Norm, bis heute können auf dem steilen Gelände keine Maschinen eingesetzt werden. Alte, traditionelle Reissorten werden in einer Höhe bis zu 1.600 Metern kultiviert, auf kleinen Parzellen, die sich der Landschaft anpassen. Ein Netz von Kanälen, Bambusrohren und Gräben durchzieht die Berge und leitet das Wasser auf die Reisterrassen. Nur einmal im Jahr wird geerntet, Hochertragssorten haben sich in der Region noch nicht durchgesetzt.

Wer das moderne Leben in Banaue kennengelernt hat, will nicht mehr zurück in den Schlamm...

Der Reisanbau, einst als Partnerschaft zwischen Göttern und Menschen betrachtet, verliert im Norden der Philippinen langsam seine Funktion. Die 1995 zum Weltkulturerbe ernannten Reisterrassen sind bedroht, denn immer geringer wird das Verhältnis zwischen Aufwand und Ertrag, immer zahlreicher wandern die Ifugao aus den Dörfern ab und wollen die mühselige Arbeit nicht mehr verrichten. Werden die Terrassen nicht mehr bewirtschaftet, verfallen sie schnell, was zum unwiederbringlichen Verlust dessen führt, was noch immer ein Weltwunder genannt wird.

Daten & Fakten

Kulturdenkmal: Reisterrassen im Bergland von Ifugao, die so genannten »Himmelstreppen«, auf einer Fläche von 250 qkm, hervorragendes Bewässerungssystem

UNESCO-Ernennung: 1995

um 650 Reisterrassen von Hapao (Hungduan)

LUZON

Een ingewikkeld reliëf
Het eiland Luzon is een grote rechthoek die in het zuidoosten in een aantal schiereilanden uitloopt.


Luzon is het grootste en dichtstbevolkte eiland van de Filippijnen en beslaat een derde van het nationale grondgebied. Het sterk bergachtige eiland heeft een overwegend rechthoekige vorm, maar vertakt zich naar het zuidoosten in een aantal schiereilanden. Vanaf het noorden strekt zich een complex geheel van bergketens in zuidelijke richting uit, met daartussen uitgestrekte vlakten. De Sierra Madre loopt van Laguna Bay bij Manila langs de Grote Oceaankust tot aan de noordoostpunt van Luzon. De sterk vulkanische Centrale Cordillera met talrijke hoge toppen, die culmineren in de 2934 m hoge Mt.Pulog, beslaat het westelijke deel van noordelijk Luzon. Meer naar het zuidwesten loopt de Sierra de Zambales van de Golf van Lingayen tot aan Manila Bay Het grootste deel van de vlakten werd gevormd door tektonische inzinkingen. Het alluviale bekken van de Cagoyanrivier ligt tussen de Centrale Cordillera en de Sierra Madre, die zelf de begrenzing vormt van de grote centrale vlakte van Luzon die zich uitstrekt tot de Sierra de Zambales. De laagvlakten van Zambales en Rocos vormen de kustzone aan de Zuid-Chinese Zee. Na de landengte aan de Tayabas Bay bereikt men het zuidoostelijke schiereiland Camarines, waar de bergketen van het zuidoosten naar het noordwesten loopt. Het klimaat wordt sterk beïnvloed door het ingewikkelde reliëf. De zomermoesson brengt sterke neerslag op grotere hoogten, maar lager gelegen gebieden zijn minder regenrijk. Het zuiden van Luzon telt een aantal werkende vulkanen, zoals de in 1991 en 1992 uitgebarsten Pinatubo ( 90 km ten noordwesten van Manila), de 2462 m hoge Mayon en de Taal, na Mt. Pinatubo een van de gevaarlijkste vulkanen van de Filippijnen. Op Luzon vindt men ook het mooiste natuurschoon van de Filippijnen, met op terrassen aangelegde rijstvelden in de omgeving van Manilla en in het noorden. Luzon omvat een derde van de Filippijnse bevolking en voorziet ook in een derde van de nationale rijstproductie.


CIJFERS
Bevolking: 28 miljoen inwoners Oppervlakte: 108 200 km2
Bevolkingsdichtheid: 258 inw./ km2 / Hoogste punt: 2934 m (Pulog)

WETENSWAARDIGHEDEN
Belangrijkste stad: Manila
Andere steden: Quezon City, Pasig, Pasay City, Baguio City, San Pablo, San Fernando, Cabanatuan City, Olongapo
Talen: Tagalog (nationaal), Engels, Spaans (officieel)
Munteenheid: Filippijnse peso
Godsdiensten: katholiek, animisme
Massieven: Sierra Madre, Cordillera Central, Sierra de Zambales
Belangrijkste meer: Laguna Bay
Rivieren: Chico, Magat, Cagoyan

BRONNEN VAN INKOMSTEN
Landbouw: rijst, suikerriet, zoete aardappelen, kokospalmen, manillahennep, tabak. Visserij. IJzer, chroom, goud, koper.

Na de verkenningen van de Portugese zeevaarder Magelhaens installeerden de Spanjaarden zich in de 16e eeuw in het centrum van de archipel. In 1571 stichtte kapitein Miguel de Legazpi een nederzetting op Luzon in de buurt van het latere Manilla, dat uiteindelijk de hoofdstad werd van de Spaanse bezittingen in de Pacific. Luzon bleef met de rest van de Filippijnen onder Spaans gezag tot 1898. In dat jaar werd de archipel bij het verdrag van Parijs toegewezen aan de Verenigde Staten, die de Filippijnen een mate van autonomie verleenden. Daaraan kwam een einde door de Japanse landingen op Luzon en Mindanao na het Japanse bombardement op Pearl Harbor in december 1941. Na de Japanse nederlaag verwierven de Filippijnen hun onafhankelijkheid. In het bergachtige noorden leven nog ongeveer 20.000 Negrito's van jacht en primitieve landbouw. Daar vindt men ook de proto-Maleise bevolkingsgroep die rijst op terrassen verbouwt.

KLIMAAT
Tropisch, warm en zeer vochtig. jaarlijkse neerslag: meer dan 2000 mm. Gemiddelde temperaturen: januari, 25° Q augustus, 28° C.

BEZIENSWAARDIGHEDEN
De rijstvelden van Banaue, het Taalmeer, watervallen van Pagsanjan, vulkaan Mayon, de Golf van Lingayen, de stranden van Bauang en de omgeving van Naga City.

Maar de meerderheid van de eilandbevolking bestaat uit Deutero - Maleisiërs die in de lagere gebieden intensieve rijstbouw bedrijven. In de grote vlakte van Luzon, de rijstschuur geheten, woont een derde van de hele Filippijnse bevolking. Deze oorspronkelijk moerassige en beboste regio werd door de Spanjaarden drooggelegd en van irrigatiewerken voorzien. Deze streek levert een derde van de totale rijstproductie des lands en is daarom van grote economische waarde. Daarentegen is de vlakte van Cagoyan dunbevolkt; dit is het gebied van de tabaksplantages voor de sigarenindustrie. Het oostelijke deel van Luzon is moeilijk toegankelijk, vrijwel ongerept en slechts gedeeltelijk onderzocht.


Vorige Start Volgende