|
|
BANAUENaar Banaue Fotocollage / Naar Kinderen Fotocollage
Donderdag 19-02-2009
Het tweede gedeelte loopt door de vruchtbare laagvlakte van Luzon, waar de vlakke rijstvelden en andere landbouwgronden zich bevinden. De streek is dichtbevolkt. Onze busjes jakkeren door relatief welvarende dorpjes met steevast een of twee kerkjes (één katholiek, één protestant). Twee keer houden we in wat grotere provinciestadjes halt: bij een McDonalds voor koffie en bij een heus wegrestaurant oude stijl met zelfbediening om te lunchen (lekkere rijst en veel goulash van buffelvlees voor anderhalve euro), tenslotte een keer bij een benzinestation om te tanken en fris te kopen. De stadjes zijn uiterst bedrijvig. Er worden veel landbouwspullen verkocht. De straten van de centra zijn verstopt met trishaws en plattelands-jeepneys, te herkennen aan hun aftandse en roestige aanblik. Hier komen weinig toeristen, want we hebben steevast veel bekijks.
Slide show van Banaue rijstterrassen
Voor de laatste etappe gaan we de bergen in. De toppen reiken hier tot bijna drieduizend meter en liggen dicht bij elkaar, wat spectaculaire vergezichten oplevert. Alles is mooi groen en de tropische vegetatie weelderig. Naarmate we hoger komen verschijnen er zelfs dennenbossen in beeld, niet bepaald een tropische gewas. De bevolking hier is aanzienlijk behoeftiger dan die op de laagvlakte of in de steden. Er is weinig grond beschikbaar, die is gereserveerd voor de teelt van voedergewassen en rijstterrassen. De mensen wonen op en boven aan de steile hellingen die niet geschikt zijn voor landbouw. Hun krotten balanceren letterlijk boven de afgrond. Het schijnt de vele kindertjes op blote voeten niet te deren, zij blijven onverminderd vrolijk rondrennen. Zeker nu de scholen net zijn uitgegaan staan ze allemaal in hun schone uniformpjes te zwaaien naar ons vreemdelingen. De slingerwegen zijn ronduit gevaarlijk, vooral vanwege de onverwacht opduikende gaten in het wegdek, de overblijfselen van recente aardverschuivingen en het ontbreken van een reling langs de dieptes. Gelukkig is er niet veel verkeer op deze dodenweggetjes.
Als we een pas van meer dan 2.000 meter ronden komt er mist opzetten, langzamerhand gaat die over in motregen. De bewoners langs de weg leven van houtbewerking en bieden hun soms erg fraaie producten te koop aan. Hun woningen zijn van steeds slechtere kwaliteit: verroeste golfplaten, matten van stro, muren van karton, triplex, gevlochten rotanvezels en blikken platen. Vaak zijn de hutten gebouwd op een stellage van houten palen die als een balkon boven het ravijn is gebouwd. De betere huizen staan op betonnen zuilen. Het vee loopt er los rond; het pluimvee vliegt alle kanten op als we met onze busjes passeren. Vette varkens zitten in smerige kotten opgesloten. Talloze honden liggen op het wegdek te zonnen en wijken geen centimeter voor onze voertuigen. Zij zijn helemaal niet agressief hier, ik heb al die dagen niet één hond horen blaffen of grommen. In de bus vind ik Anschluss bij wat oudere Filippino mensen uit Californië. Zij spreken over zichzelf als “we septigenarians”, ofwel wij zeventigjarigen. Liz, een voormalig makelaar uit San Diego, begint me haar levensverhaal te vertellen. Ze start haar life story met de dood van haar Amerikaanse vader uit Ohio die door de Jappen tot stervens toe werd gemarteld nadat hij door een guerrillastrijder voor een handvol zilverlingen verraden was; het spoorloos verdwijnen van haar Filippijnse moeder in de nadagen van de oorlog en haar afschuwelijke jaren doorgebracht in “that hell of an orphanage”; een weeshuis dat we in Manilla trouwens voorbijgereden zijn; emotioneel wijst Liz het aan. Voor haar is deze reis een soort “back to the roots”. Ook met haar vriendin Beth heb ik een leuk contact, alsmede met de sympathieke “retired accountant” Fil uit San Francisco. Hij reist nu de hele wereld af met zijn enorme analoge camera. In Rio is hij op het strand van Copacabana “in broath daylight” overvallen door jochies van een jaar of twaalf. Hij weet feilloos de Hollandse attracties op te noemen: Windmills of Kinderdaik, Wolendem, the Tulips of Koikenhoof, Anne Frank - house”.
Tegen zonsondergang bereiken we ons driesterrenhotel in Banaue. Het ligt even buiten het dorp op een vooruitgeschoven rotspunt boven de rijstterrassen; mooi uitzicht vanuit de kamers dus. Het is helemaal van hout gebouwd. Het personeel is gestoken in lokale klederdracht en begroet ons met thee en koekjes. Ze behoren hier allemaal tot de Ifugao - minderheid. Deze bevolkingsgroep maakte ooit deel uit van de oorspronkelijke bevolking duizenden jaren geleden. Nog geen honderd jaar geleden waren sommige stammen nog koppensnellers, maar de Amerikaanse zendelingen en Belgische paters hebben daarmee korte metten gemaakt. Tegenwoordig zijn deze ietwat gedrongen bergbewoners zonder uitzondering christen. Uiterlijk en wat culturele gebruiken betreft lijken ze op de geïsoleerd levende stammen van de eilanden Sumatra en Borneo in Indonesië, de Bataks en de Dayaks. Ook doen ze me denken aan de Akha - bergstam in Thailand. Al die volkeren leefden ooit op het vasteland van Zuidoost-Azië, voordat ze door de Thai en de Cambodjanen en die op hun beurt weer door de Han - Chinezen waren verdreven.
|
![]() |
![]() |
Allereerst beland ik na een fikse afdaling bij een nederzetting met straatarme inlanders. Ze verkopen wat houtwerk en werken verder op de velden. Hun gammele woningen staan op palen. De kindertjes zijn bijna naakt. De honden gapen lusteloos. De hanen waken parmantig over hun kippetjes. Ik loop de velden in. De aarden walletjes die de velden scheiden zijn hier vervangen door beton, dat wandelt lekker. Maar al gauw gaan ze over in lemen dijkjes met smalle paadjes.
Ik kom twee jongens van rond zestien tegen die zich als gids aanbieden. Daar ga ik op in. Voor vier euro charter ik hun. Zij zullen me naar een verderop gelegen groter dorp leiden waar ik dan een jeepney terug naar het hotel kan nemen. Het is stralend weer, de jongens zijn aardig en spreken een behoorlijk woordje Engels; niets aan de hand dus. We zijn ongeveer halverwege als we over een wat breder pad langs een irrigatiekanaaltje langs de bergwand lopen. Het lijkt veel op de levada’s in Madeira, hetzelfde systeem. Plotseling valt er een schaduw over ons heen. Van achter de berg trekt een donkere wolk onze vallei binnen. Ik hoor donderslagen en zie bliksemschichten. Niet lang daarna breekt er een tropische storm los. Het zicht wordt door dat regengordijn beperkt tot nog geen tien meter. Ik steek mijn paraplu op, maar dat heeft weinig zin. Een van de boys: “Your umbrella is too small, sir!” Inderdaad, ik raak hoe dan ook tot op mijn bot doorweekt. Om mijn rugzak met de important things droog te houden ga ik mijn rugzak op mijn buik dragen. Die tactiek heb ik van de inlanders afgekeken. Nadeel hiervan is dat ik niet meer kan zien waar ik mijn voeten neerplant.
![]() |
![]() |
We bereiken een soort schuilhut, een afdak op vier betonnen palen. Daar krijgen we gezelschap van steeds meer inlanders die de velden zijn ontvlucht. Na een tijdje sta ik, met mijn schamele 1.76 meter toch nog een kop groter, midden tussen de haveloze dijkonderhouders met rode tanden van het betelsap, een soort wegwerkers dus. Ze behoren tot de laagste klasse, want ze zijn landloos. Een van hun begint monotoon te zingen, andere vallen hem bij, maar wel met een ander lied. Anthony, een van de guideboys, vertelt me dat ze met hun gezang de regengod tot bedaren willen brengen. Het wordt net geen kakofonie, maar van close harmony is absoluut geen sprake. De hevige slagregens houden aan. De boys stellen voor terug te keren, aangezien de wegen vanaf het doeldorp inmiddels onbegaanbaar zijn geworden en ik dus gedwongen zal zijn in het dorp te overnachten. Daar pas ik voor, dus ik stem met hun voorstel in en we gaan dezelfde moeizame weg terug.
Het wordt een tocht vol halsbrekende toeren, want de velden zijn overstroomd, de lemen paadjes op de dijkjes zijn weggespoeld of watervalletjes geworden. Daar moet ik dus doorheen. Vaak zak ik tot mijn knieën in de zuigende modder. Vooral langs het irrigatiekanaal is het link. Eén misstap en ik stort 20, 30 meter naar beneden. Ik hou echter mijn hoofd koel; paniek is het laatste wat ik in deze netelige situatie kan gebruiken. De twee gidsen trekken me letterlijk spekgladde hellingen op en weer af. Steeds meer dijkjes begeven het onder dat geweld en brokkelen af, waardoor we soms een omweg moeten maken.
![]() |
![]() |
Het kost ons tweemaal zoveel tijd om met veel gebalanceer terug te keren naar het inboorlingennederzetting. Daar tonen de jongens me een van hun voorouders die 120 jaar oud is geworden. In doeken gewikkeld komt een mannelijk skelet te voorschijn, de knekels worden door een oudere man zorgvuldig tot een toonbaar geraamte “gereconstrueerd”. Vol trots halen ze ook een primitief houten beeld te voorschijn: het stelt de rijstgodin met een heuse vaginale gleuf voor.
Tenslotte volgt nog een steile helling naar het hotel met een ‘trap’ van ongelijke treden tussen de 10 en 60 centimeter. Mijn roestige heupen en knikkende knieën schrijnen en weigeren steeds vaker dienst. Strompelend en mijn pijn verbijtend moet ik om de tien meter pauzeren om tot rust te komen. Hellingen beklimmen en trappen lopen valt me steeds zwaarder nu mijn spieren zo snel verzuurd raken (waarschijnlijk door mijn onlangs ontdekte schrompelnier). Vooral mijn linkerheup veroorzaakt helse pijnen, de tranen staan me in de ogen. Uiteindelijk bereik ik volkomen uitgeput mijn hotelkamer, waar ik linea recta met kleren en al onder de hete douche kruip. De hele douchevloer ziet bruin van het slijk. Ik spoel mijn schoenen grondig uit; het kost drie dagen om ze weer droog te krijgen.
‘s Morgens heb ik in de dorpswinkel een fles Cossack - wodka gekocht. Ik dacht dat die 650 pesos kostte, maar dat bleek slechts 65 p te zijn, welgeteld 1.20 euro! Ik besluit de fles te openen om de goede afloop van mijn hachelijk avontuur te vieren, maar ik krijg hem met geen mogelijkheid open. Uiteindelijk moet ik met behulp van mijn Zwitserse legermes een gat in de metalen dop boren. De wodka is plaatselijk gestookt en smaakt zoals hij moet smaken: smakeloos, maar wel sterk. De rest van de avond rust ik uit van de vermoeienissen. Het avondeten sla ik over.
|
GELEZEN LANGS DE WEG |
![]() |
![]() |
Al vroeg zijn we op weg naar Bontoc en het nabij gelegen dorp Sagada dat bekend staat om de doodskisten van voorvaderen die tegen de bergwand hangen en de Sumaging - grotten. Na twee uur rijden over de slecht begaanbare bergweggetjes wordt het de chauffeurs van onze twee busjes te bar. Door de hevige slagregens van gisteren hebben er overal aardverschuivingen plaatsgevonden; deze zijn niet opgeruimd, want het is zaterdag en de overheidskantonniers hebben dan vrij. Het is onverantwoord om verdere risico’s te nemen, zeker omdat we dezelfde weg terug moeten en het in de namiddag steevast regent, waardoor de weg volledig geblokkeerd zal raken. We keren om, wat nog heel wat voeten in de aarde heeft op het smalle weggetje langs de gapende afgrond. Het volk in de busjes mort, ze missen nu een excursie waarvoor betaald is, dat zint hen niet. Ze vinden dat we met jeepneys hadden moeten gaan, die zouden de obstakels beslist wel hebben kunnen overwinnen. Zo stond het trouwens ook in de itinarary vermeld. Ik vind de beslissing echter heel begrijpelijk, het is uiteindelijk in ons eigen belang dat die trip afgelast is.
Als alternatief wordt er na de terugkomst een voettocht georganiseerd naar het dorp Batad dat ergens in een fraai dal gelegen is en waar de sawa’s nog mooier zijn. De oudere Filippino’s en ik voelen niets voor die extra inspanning en verblijven in en rondom het hotel die middag. De rest van de dag breng ik weinig actief door: ik luier wat in de tuinen, lees op het balkon. Ik lunch licht in het hotel, maar sla het avonddiner weer over. Ik voel de strapatsen van de vorige dag nog steeds in mijn benen.
![]() |
![]() |
| DE JONGEREN VAN DE IFUGAO RIJDEN STOER MOTOR EN HEBBEN ALLEEN OOG VOOR HUN MOBIELTJES. |
Om zeven uur 's ochtends vertrekken we met twee busjes naar Manilla, een tocht van 350 kilometer. Na 50 kilometer zijn we de bergen uit. Bij de laatste pas die we passeren ligt een monument voor een veldslag uit 1945, daar pauzeren we even. In een provinciestadje wordt om 1 uur gestopt voor de lunch. Er wordt een uitgebreid buffet voor de belachelijke prijs van 4 euro opgediend. Tijdens het eten leer ik de Australische beter kennen. Ze heet Rosa, haar vader was Italiaan, haar moeder Ierse. Ik maak grapjes over die combinatie, dat kan zij wel waarderen. Ze komt uit Brisbane, waar zij een ICT - baantje heeft. Onder het eten klokt zij twee flesjes Foster’s bier naar beneden.
De dorpjes en stadjes die we passeren hebben allemaal Spaanse namen. In de rijstschuur van Luzon hebben de steden namen als San José, Angeles, Santa Cruz, Zaragoza, Santa Rosa, La Paz, Santo Domingo. In de bergen daarentegen zijn de namen inheems, een teken dat de kolonisatoren zich daar niet vaak gewaagd hebben. Links en rechts van ons zien we de kegelvormige vulkanen Ayarat (en Pinatubo (voor het laatst in 1992 uitgebarsten). De Ayarat vormde een toevluchtsoord van de linkse guerrilla in de jaren zeventig en tachtig. De communistische leider heeft in 1989 in Nederland asiel aangevraagd en gekregen. Hij woont nu in Utrecht.
Midden in het spitsuur bereiken we Manilla. Het kost ons een uur om de stad te doorkruisen naar ons Heritage Hotel . We hebben dan al eerder afscheid genomen van onze Filippijns - Amerikaanse vrienden. We moeten opnieuw inchecken, wat nogal wat irritatie wekt door de bureaucratische rompslomp die ermee gepaard gaat. Ik blijf die avond op mijn kamer en geniet van ijskoude pilsjes die ik onderweg op de kop heb getikt en in de minibar koel heb kunnen houden. Via de Deutsche Welle verneem ik de zoveelste nederlaag van Bayern München. Ai, ai, van Bommel!
|
BANAUE |

MEER INFO IN HET DUITS:
Reisterrassen der Ifugao, Stufen zum HimmelVor rund 2.000 Jahren wurden sie angelegt, die berühmten Reisterrassen im Norden der Philippinen. Ihre Baumeister waren die Ifugao, ein Bauernvolk, das vermutlich aus Indonesien stammte und sich in der unwegsamen Bergwelt der Kordilleren ansiedelte. Banaue Mühsam haben die Ifugao dem Boden ihr Hauptnahrungsmittel abgerungen. 1.000 Arbeitsstunden pro Hektar sind die Norm, bis heute können auf dem steilen Gelände keine Maschinen eingesetzt werden. Alte, traditionelle Reissorten werden in einer Höhe bis zu 1.600 Metern kultiviert, auf kleinen Parzellen, die sich der Landschaft anpassen. Ein Netz von Kanälen, Bambusrohren und Gräben durchzieht die Berge und leitet das Wasser auf die Reisterrassen. Nur einmal im Jahr wird geerntet, Hochertragssorten haben sich in der Region noch nicht durchgesetzt. Wer das moderne Leben in Banaue kennengelernt hat, will nicht mehr zurück in den Schlamm... Der Reisanbau, einst als Partnerschaft zwischen Göttern und Menschen betrachtet, verliert im Norden der Philippinen langsam seine Funktion. Die 1995 zum Weltkulturerbe ernannten Reisterrassen sind bedroht, denn immer geringer wird das Verhältnis zwischen Aufwand und Ertrag, immer zahlreicher wandern die Ifugao aus den Dörfern ab und wollen die mühselige Arbeit nicht mehr verrichten. Werden die Terrassen nicht mehr bewirtschaftet, verfallen sie schnell, was zum unwiederbringlichen Verlust dessen führt, was noch immer ein Weltwunder genannt wird. Daten & Fakten Kulturdenkmal: Reisterrassen im Bergland von Ifugao, die so genannten »Himmelstreppen«, auf einer Fläche von 250 qkm, hervorragendes Bewässerungssystem UNESCO-Ernennung: 1995 um 650 Reisterrassen von Hapao (Hungduan) |
LUZON
Een ingewikkeld reliëf
Het eiland Luzon is een grote rechthoek die in het zuidoosten in een aantal
schiereilanden uitloopt.
Luzon is het grootste en dichtstbevolkte eiland van de Filippijnen en beslaat
een derde van het nationale grondgebied. Het sterk bergachtige eiland heeft een
overwegend rechthoekige vorm, maar vertakt zich naar het zuidoosten in een
aantal schiereilanden. Vanaf het noorden strekt zich een complex geheel van
bergketens in zuidelijke richting uit, met daartussen uitgestrekte vlakten. De
Sierra Madre loopt van Laguna Bay bij Manila langs de Grote Oceaankust tot aan
de noordoostpunt van Luzon. De sterk vulkanische Centrale Cordillera met
talrijke hoge toppen, die culmineren in de 2934 m hoge Mt.Pulog, beslaat het
westelijke deel van noordelijk Luzon. Meer naar het zuidwesten loopt de Sierra
de Zambales van de Golf van Lingayen tot aan Manila Bay Het grootste deel van de
vlakten werd gevormd door tektonische inzinkingen. Het alluviale bekken van de
Cagoyanrivier ligt tussen de Centrale Cordillera en de Sierra Madre, die zelf de
begrenzing vormt van de grote centrale vlakte van Luzon die zich uitstrekt tot
de Sierra de Zambales. De laagvlakten van Zambales en Rocos vormen de kustzone
aan de Zuid-Chinese Zee. Na de landengte aan de Tayabas Bay bereikt men het
zuidoostelijke schiereiland Camarines, waar de bergketen van het zuidoosten naar
het noordwesten loopt. Het klimaat wordt sterk beïnvloed door het ingewikkelde
reliëf. De zomermoesson brengt sterke neerslag op grotere hoogten, maar lager
gelegen gebieden zijn minder regenrijk. Het zuiden van Luzon telt een aantal
werkende vulkanen, zoals de in 1991 en 1992 uitgebarsten Pinatubo ( 90 km ten
noordwesten van Manila), de 2462 m hoge Mayon en de Taal, na Mt. Pinatubo een
van de gevaarlijkste vulkanen van de Filippijnen. Op Luzon vindt men ook het
mooiste natuurschoon van de Filippijnen, met op terrassen aangelegde rijstvelden
in de omgeving van Manilla en in het noorden. Luzon omvat een derde van de
Filippijnse bevolking en voorziet ook in een derde van de nationale
rijstproductie.
CIJFERS
Bevolking: 28 miljoen inwoners Oppervlakte: 108 200 km2
Bevolkingsdichtheid: 258 inw./ km2 / Hoogste punt: 2934 m (Pulog)
WETENSWAARDIGHEDEN
Belangrijkste stad: Manila
Andere steden: Quezon City, Pasig, Pasay City, Baguio City, San Pablo, San
Fernando, Cabanatuan City, Olongapo
Talen: Tagalog (nationaal), Engels, Spaans (officieel)
Munteenheid: Filippijnse peso
Godsdiensten: katholiek, animisme
Massieven: Sierra Madre, Cordillera Central, Sierra de Zambales
Belangrijkste meer: Laguna Bay
Rivieren: Chico, Magat, Cagoyan
BRONNEN VAN INKOMSTEN
Landbouw: rijst, suikerriet, zoete aardappelen, kokospalmen, manillahennep,
tabak. Visserij. IJzer, chroom, goud, koper.
Na de verkenningen van de Portugese zeevaarder Magelhaens installeerden de
Spanjaarden zich in de 16e eeuw in het centrum van de archipel. In 1571 stichtte
kapitein Miguel de Legazpi een nederzetting op Luzon in de buurt van het latere
Manilla, dat uiteindelijk de hoofdstad werd van de Spaanse bezittingen in de
Pacific. Luzon bleef met de rest van de Filippijnen onder Spaans gezag tot 1898.
In dat jaar werd de archipel bij het verdrag van Parijs toegewezen aan de
Verenigde Staten, die de Filippijnen een mate van autonomie verleenden. Daaraan
kwam een einde door de Japanse landingen op Luzon en Mindanao na het Japanse
bombardement op Pearl Harbor in december 1941. Na de Japanse nederlaag
verwierven de Filippijnen hun onafhankelijkheid. In het bergachtige noorden
leven nog ongeveer 20.000 Negrito's van jacht en primitieve landbouw. Daar vindt
men ook de proto-Maleise bevolkingsgroep die rijst op terrassen verbouwt.
KLIMAAT
Tropisch, warm en zeer vochtig. jaarlijkse neerslag: meer dan 2000 mm.
Gemiddelde temperaturen: januari, 25° Q augustus, 28° C.
BEZIENSWAARDIGHEDEN
De rijstvelden van Banaue, het Taalmeer, watervallen van Pagsanjan, vulkaan
Mayon, de Golf van Lingayen, de stranden van Bauang en de omgeving van Naga
City.
Maar de meerderheid van de eilandbevolking bestaat uit Deutero - Maleisiërs die
in de lagere gebieden intensieve rijstbouw bedrijven. In de grote vlakte van
Luzon, de rijstschuur geheten, woont een derde van de hele Filippijnse
bevolking. Deze oorspronkelijk moerassige en beboste regio werd door de
Spanjaarden drooggelegd en van irrigatiewerken voorzien. Deze streek levert een
derde van de totale rijstproductie des lands en is daarom van grote economische
waarde. Daarentegen is de vlakte van Cagoyan dunbevolkt; dit is het gebied van
de tabaksplantages voor de sigarenindustrie. Het oostelijke deel van Luzon is
moeilijk toegankelijk, vrijwel ongerept en slechts gedeeltelijk onderzocht.