|
|
OTAVALOLogeren bij
Mieke
Na wereldreis blijven hangenMieke heeft iets weg van een struise blonde Hollandse deerne die van aanpakken weet. Ze is van oorsprong een boerendochter uit Baarle -Hertog, heeft in de verpleging gezeten, een kroeg in Breda gerund en is uiteindelijk hier terecht gekomen na een zwerftocht over de wereld. In het begin kreeg ze van de dorpsoudsten een slechte plek aangewezen om te bouwen, aan het einde van de nederzetting aan de rand van een ravijn. Inmiddels zwaait zij de scepter over een heus hotel met een uitgebreide staf aan personeel en is zij door de dorpsoudsten geaccepteerd als een volwaardig lid van de gemeenschap, ondanks haar buitenlandse komaf en haar vrouw zijn. Ze heeft het razend druk, want ze bemoeit zich nog steeds overal mee. Daarnaast heeft zij ook nog eens de zorg over twee kinderen, die overigens bijna geheel verindiaanst zijn. Door de week studeert haar man hoger hotelmanagement aan de universiteit, dus die kan haar dan niet terzijde staan. Ze heeft duidelijk te veel hooi op haar vork genomen, al komt deze aardige, bijna 40-jarige vrouw nog zo energiek over. We vragen ons af hoe lang dat goed gaat. Wandelexcursie door het dorpMieke verzorgt voor ons een rondleiding door het dorp. Als dorpelinge kan zij overal binnenkomen, maar na elk bezoek aan een werkplaats, atelier of winkel stopt zij de bewoners steeds een kleinigheid in handen. Peguche is een typisch textieldorp; hier wordt gesponnen en geweven, niet zelden door kinderen in de schoolgaande leeftijd. Vaak is het handwerk, maar hier en daar zien we ook nog ouderwetse weefmachines. We bewonderen het magisch-realistische oeuvre van een schilder die niet alleen plaatselijke bekendheid geniet; enkele van zijn schilderijen zijn zelfs uitverkoren om opgenomen te worden in de kerstkaartencollectie van de Unesco (verkrijgbaar bij NOVIB en Wereldwinkel). De bevolking behoudt tegenover ons een zekere distantie. Dat kan niet gezegd worden van de schare vuile kindertjes die om ons heen drommen om allerlei prullaria van stof aan ons te slijten. Clim koopt een sjaal van een lief meisje met koolzwarte ogen, nodig heeft hij die niet. Beschouw het maar als ontwikkelingshulp schijnt hij te denken. De biggetjes en kippen lopen er los over straat rond.
Madame El Houri
Laguna San PabloTwee keer gaan we de stad uit. Een middag verkennen we het nabijgelegen meer, de Laguna San Pedro (Jos vraagt steeds naar de Lago de San Pedro, waarop de mensen hem niet begrijpend aanstaren.) We komen er met de streekbus. Het meer ligt in een kom aan de voet van de gedoofde vulkaan de Imbabura (4600 meter, Mont Blanc-klasse dus). De oevers zijn niet spectaculair, veelal drassig en nauwelijks toegankelijk. We pauzeren in een luxe toeristenoord, waar welgestelde Ecuadorianen en Yankees zich onzes inziens te pletter vervelen ondanks aanwezigheid van bootjes, midgetgolf, sportvelden en siertuinen met exotische vogels. De meesten zitten gewoon binnen te vreten en te zuipen.
Met bus naar de stadWe houden een bus aan die naar Otavalo gaat. Daar verkennen we een ander deel van de stad. We zoeken er vergeefs naar het Museo Municipal, dat blijkt verhuisd te zijn naar een andere stadswijk. Clim heeft al een paar dagen een zeurende hoofdpijn. We kopen een flesje met 250 aspirines voor een tientje. We zijn door de voorraad fotorolletjes heen, dus die wordt tevens aangevuld. Erna met vriend José zwerven op hun eentje door de straten, opgelucht dat ze bevrijd zijn van de druk van de groep. Ze gaan erg leuk met elkaar om en plagen elkaar heel lief. Daarna kunnen ze het weer goedmaken, en dat lijkt ons juist de bedoeling.
Cascade in ArcadiëEen dag later gaan we te voet de bergen in. We volgen het spoorlijntje, dat sinds kort niet meer in gebruik is, tot halverwege Otavalo. Dan gaan we de bossen in, lommerrijke paadjes volgend die naar een hoge waterval leiden, de Cascade de Peguche. Onderweg versperren enkele vervaarlijke stieren ons de weg; wij kunnen geen kant op (links de afgrond, rechts de berg) en de lodderig kijkende beesten weigeren te wijken. Dit duurt een tijdje tot ze uiteindelijk toch in het struikgewas naar beneden gaan. De afgrond blijkt niet zo steil als we denken.
Gebeten door tekenWe zitten bij de cascade als we ineens overal jeuk krijgen; blijkbaar hebben teken, mijten of muggen toch kans gezien ons te pakken te krijgen. Weken later, al lang terug in Nederland, blijven we hiervan last hebben. (Het kan ook zijn dat we in een hotel door bedwantsen bewerkt zijn, wie zal het zeggen.) Via een omweg lopen we verder de berg op, soms zijn de hellingen te steil voor Jos met zijn wankele knieën. We belanden in een dorpje dat door de methodisten is bekeerd. Voor de pas gebouwde kerk zijn de jongemannen op een verhard veldje aan het volleyballen. Het dorpshoofd meldt zich bij ons en informeert wie we zijn. We zijn er welkom en slaan het fanatieke spel gade, ondertussen aan een cola nippend. Dit Amerikaanse drankje is hier in ruime mate aanwezig.
Wassende vrouwen, grazend veeNa deze verkwikking volgt een tocht door een haast arcadisch groen landschap, vredig en stil. Vrouwen zijn kleren aan het wassen in heldere bergbeekjes, waarin ook uitgelaten kinderen zwemmen en zich baden. Hier en daar wordt gewerkt op akkertjes. Vee graast op welig begroeide oevers. Met op de achtergrond steeds die dreigende kolos van een berg, nu eens in al zijn glorie zichtbaar, dan weer verscholen onder een dicht wolkendek. Uiteindelijk komen we weer terecht bij de Laguna San Pablo. Er loopt geen bus op dit gedeelte van de weg en we besluiten te voet terug te gaan, een hele tippel. Een eind verderop scheurt een bus zonder te stoppen ons voorbij, maar geen nood, direct daarna stopt een personenauto. De inzittenden uit Quito bieden ons een lift aan. Aangekomen in Otavalo biedt Jos verbaal zijn dank aan, maar dat is geenszins de bedoeling: we moeten gewoon betalen en daarmee uit. Daar gaat onze illusie van gastvrije en hulpvaardige autochtonen!
Groep uitgeput na trekkingEen mooie zonsondergang hebben we vandaag met onwerkelijk licht, veroorzaakt door zonnestralen die reflecteren op inktzwarte onweerswolken die naderbij komen. In dit onheilspellende weer komen we bij onze hostal aan. Daar zit de groep uitgeteld aan tafel; ze hebben vandaag veel moeten dalen en stijgen in een krater. Ruud, een ietwat grof uitgevallen loodgieter met een bijna onverstaanbaar polderdialect (hij komt uit een polderdorp aan de IJssel) zit te morren. Hij heeft het gehaald, maar vraag niet hoe. Hij vormt een dissonant in deze groep van over het algemeen hoog opgeleiden. Hij past niet echt bij zijn echtgenote, een gereserveerde vrouw die werkzaam is als secretaresse bij een notaris. Met zijn achtergrond als leraar in de Installatietechniek maakt Jos wel eens een praatje met Ruud, over het vak natuurlijk. Ruud zou graag voor zichzelf beginnen, maar daarvoor heeft hij te weinig durf en poen. En te weinig scholing, denkt Jos er stilletjes bij, want diploma's heeft onze Ruud niet. Die avond slikken we onze eerste malariapillen, want de volgende dag is het reisdoel het laagland aan de kust. Daar heerst wèl malaria, in tegenstelling tot het hoogland. Daar is het koud en is weinig stilstaand water, een levensvoorwaarde voor die verfoeide muskiet.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||