Groene landbouwstreek
Om negen uur gaan we op weg naar Albanië. Bij het plaatsje Struga nemen we
afscheid van gids Darko die ons drie dagen lang bijgestaan heeft. Hij is echt
een voorbeeld van een jonge, startende ondernemer in een land dat in opbouw is.
We rijden langs de westoever van het meer van Ohrid. Een stukje landinwaarts
ligt de grens met Albanië, waar we geen noemenswaardig oponthoud hebben. Al gauw
na het passeren van de grens duiken we een diep groen dal in. Mijn eerste
indrukken zijn dan ook positief: een vruchtbaar land klaarblijkelijk. Naarmate
we dieper in het land doordringen besef ik dat een vruchtbare bodem nog niet
betekent dat de bewoners rijk zijn. De kleine percelen (het communisme kende
hier blijkbaar geen kolchozen of staatsboerderijen) worden door noeste
handarbeid bewerkt: greppels worden met de schop gegraven, hooi wordt met de
hooivork geoogst en het onkruid wordt met schoffels gewied. Ik zie hier dan ook
meer mensen op de akkers werken dan in vergelijkbare landbouwstreken van
Nederland of Duitsland. Daar werpen gigantische landbouwmachines met brullende
motoren stof op en verscheuren de landelijke stilte. Af en toe zie ik een
krakkemikkig tractortje van lokale makelij voorbijtrekken, dat zijn de enige
sporen van mechanisering op het platteland. Opvallend weinig auto’s in de
dorpen. In de steden rijden meer auto’s rond, veel nog met de originele
nummerborden uit Duitsland. Dat doet me denken aan het grapje hoe bezoekers aan
dit land verwelkomd worden: “Welcome to Albania! Your car is already here!”
In een van die stadjes zie ik een bestelauto met de reclame van een bakkerij
uit Dordrecht nog op de zijkant.
Een land in het defensief
Een ander opvallend fenomeen in dit voor ons westerlingen nog vrij onbekend land
zijn de met beton overdekte schuttersputjes. Het zijn kleine bunkertjes die zich
als egels of schildpadden in de nabijheid van strategische punten bevinden. De
schietopeningen zijn steeds naar de buitenlandse vijand gericht. De vroegere
dictator Hoxha moet wel aan een bepaalde vorm van paranoia geleden hebben,
achter elke struik vermoedde hij een overvaller. Verspreid over het hele land
waren destijds ook wapendepots gevestigd, maar die bestaan niet meer nadat die
de opstandige bevolking geplunderd waren. Niet geheel onbegrijpelijk dat daarna
een golf van criminaliteit het land teisterde. Er zijn meer dan een half miljoen
van die bunkertjes gebouwd, maar vele zijn inmiddels gesloopt of hebben een
andere bestemming gevonden, bijvoorbeeld als veestal, opslagplaats of schuilhut.
Huizen in aanbouw
Een ander opvallend verschijnsel zijn de huizen in aanbouw. Zelfs in de kleinste
dorpjes duiken woningen in diverse staddia van bouw op. De bewoners bouwen zo’n
huis zelf met behulp van familie, vrienden en kennissen. Het geld wordt
gefourneerd door familie in het buitenland (veelal Italië en het aangrenzende
Griekenland, maar ook Nederland en Duitsland) die daar hun geluk beproefd en
gevonden hebben. Blijft de geldzending uit, dan stokt ook de bouw. Het resultaat
is vaak verbluffend: ware herenhuizen en kapitale villa’s als paleizen verrijzen
tussen de schamele woninkjes van de dorpelingen die de pech hebben geen
vrijgevig contactpersoon in het buitenland te hebben. Daarbij dient aangetekend
te worden dat de voornoemde paleizen vaak gebouwd worden door de bazen van
criminele bendes die hun illegale inkomsten op deze manier ongestraft kunnen
witwassen. De Albanese maffia houdt zich vooral bezig met smokkel, prostitutie
en het daaraan gelieerde mensenhandel en drug trafficking. Hoe dan ook, al die
bouwactiviteiten geven aan dat er in de staat Albanië economische beweging
vooruit aan het ontstaan is. Sommige economen gebruiken de mate van
bouwnijverheid als meetpunt voor economische vooruitgang. In een land met
stagnatie en recessie wordt volgens hun niet of nauwelijks gebouwd.
Het stadje Elbasan
We stoppen voor een lange lunchpauze in een van de grotere steden, Elbasan, in
het midden van het land gelegen. Het is er opvallend druk op straat. In de
ietwat kale parken (bomen gebruikt voor brandhout in de winter?) zijn alle
bankjes in de schaduw bezet, de vele terrassen zijn ook goed bezet, meestal door
slanke jongemannen met sterke baardgroei en duistere blikken. In de
achterafstraatjes tref ik bedompte theehuizen aan die zich ook in Turkije hadden
kunnen bevinden. De brede hoofdstraat wordt omzoomd door haveloze woonflats, de
onderverdieping is in gebruik als café, restaurantje of winkel. Alleen al in
deze straat tel ik vier bruidswinkels: trouwen al die Albanese vrouwen in het
wit? Iets verder van het centrum staan dichtbevolkte huurkazernes van tien hoog
in verregaande staat van ontbinding. In Nederland zouden die al lang tegen de
vlakte zijn gegaan. In de stegen en sloppen vindt markt plaats. Het lijkt meer
op een rommelmarkt met vooral tweedehands kleren en schoenen van bedenkelijke
kwaliteit in de kraampjes. En soms staan er als parels tussen de zwijnen
flitsende moderne gebouwen, meestal behorend tot een bank of andere financiële
instelling.
Mensen niet opvallend anders
Ondanks al die tekenen van verval vind ik dat de meeste mensen er netjes
bijlopen. Ook de meisjes en jonge vrouwen zijn goed gekleed en hebben een
zelfbewuste blik in de ogen. Natuurlijk, sjofele figuren tref je er ook aan,
maar per slot van rekening hebben we die ook in Velsen, Vlissingen of Veendam.
Ik zie eigenlijk weinig verschil met de volkeren die we zojuist verlaten hebben:
de Serviërs en de Macedoniërs. Veel mensen zien er Italiaans uit, wat historisch
gezien ook kan kloppen. Ook cultureel is Italië het gidsland voor de doorsnee
Albanees. In dat land zijn de illegale Albanezen zo langzamerhand tot een
nationale plaag geworden, hoewel illegale spotgoedkope Albanese dienstmeisjes en
poetsvrouwen uiteraard bij de klagende middenklasse zeer in trek blijven. Als ik
koffie drink op een terras word ik in het Italiaans aangesproken, gelukkig kan
ik me daarin een beetje redden. Bij het afrekenen weigert de ober mijn geld.
Misschien wil hij dat ik in euro’s betaal, denk ik, en bied hem die aan. Nee,
hij weigert pertinent dat ik voor de koffie betaal. Gratis koffie in een
bankroet land? Dat moet nog kunnen! En ja dus, het kan.
Skanderbeg, Albanese held
Meer van Shkoder
Van Dürres naar Tirana
Vanaf Elbasan kunnen we rechtstreeks naar de hoofdstad Tirana rijden, maar we
moeten dan een bergpas over die de bus niet kan passeren vanwege haar lengte: de
haarspeldbochten van de 20% helling zijn te kort. Dat betekent een omweg via de
havenstad Dürres aan de kust. Daar zijn we dan beland in de kustvlakte die veel
dichter bevolkt is. De haven is letterlijk de poort naar het buitenland, maar
ook de plek waar alle importgoederen Albanië binnenkomen. We doorkruisen een
voorstad met grote, luxe woningen in aanbouw; economisch gaat het de bevolking
hier voor de wind, maar dat is slechts schijn. We nemen de autobaan of wat
daarvoor door gaat richting Tirana, maar vlak voor de hoofdstad buigen we naar
het noorden af. Tijd om Tirana te bezoeken hebben we dus niet. Jammer, ik had er
graag eens een kijkje genomen. Verder gaat het richting Montenegro. Ik lunch met
een groepje dissidenten in een hotelrestaurant dat bijzonder weelderig is
ingericht. Het straalt een en al luxe uit. Waar halen ze dat geld vandaan? De
obers spreken er alleen Italiaans. Bijna overal in Europa is zo langzamerhand
Engels de tweede vreemde taal geworden, maar in Albanië kennelijk niet.
We bereiken later op de middag het Shkoder – meer, het
grootste meer van de Balkan. De grens met Montenegro loopt er dwars doorheen.
Hier beginnen ook weer de bergen die in Montenegro hun hoogtepunt bereiken.
Rondom het meer bevinden zich wetlands, moerassen zo u wilt. In het voorjaar
stijgt de waterspiegel van het meer door al het smeltwater met enkele meters
zodat steeds opnieuw de laaggelegen oevers worden overstroomd. Goed voor de
watervogels in ieder geval.
Algemene indruk van Albanië
Mijn indrukken van Albanië zijn niet direct ongunstig. Het land van de “Witte
Bergen” (letterlijke betekenis van de naam Albanië) kruipt duidelijk uit een
diep dal omhoog. Ik ben me ervan bewust dat ik maar een heel klein gedeelte van
het land gezien heb, maar het lijkt me voldoende om er een voorlopige mening op
na te houden. Het zal nog vele jaren duren voor dit land rijp is voor de EU,
maar wie weet? Tenslotte heeft men notoir corrupte landen als Roemenië en
Bulgarije ook zonder al te veel plichtplegingen als lid aanvaard. Van de islam
als dominerende godsdienst heb ik weinig gemerkt. In mijn woonplaats Roermond
lopen meer gesluierde en gehoofddoekte moslimvrouwen rond dan in bijvoorbeeld
Elbasan, een vergelijkbare plaats. Hoe dat zit op het echte platteland en in de
bergen kan ik echter niet beoordelen. De Turkse invloed is er wel nog goed
zichtbaar, met name in de theehuizen en straatmarkten.
GROOTSTE STEDEN IN ALBANIË
DE HOXHA -
BUNKERS VAN ALBANIË
Ik kwam mijn eerste bunker tegen op een kilometer rijden van de
internationals luchthaven Moeder Teresa. Om te beginners was het
vliegveld zelf een aardige curiositeit – hoeveel landen hebben een
internationaal vliegveld dat vernoemd is naar een non, ook al is dat
's werelds bekendste non en de beroemdste Albanees? Behalve op een
paar ansichtkaarten kwam ik Moeder Teresa pas weer tegen op mijn
vertrekdag, maar de Albanese bunkercollectie was een rariteit die me
overal. achtervolgde.
In de jaren vijftig was Albanië al ver gevorderd op het monomane pad
dat het via stalinisme en maoïsme tot het meest geïsoleerde en minst
bezochte land van Europa zou makers. Zelfs toen de Berlijnse Muur
verbrokkelde en het communisme ineenstortte, strompelde de partij
door als een kip zonder kop. In februari 1991 echter trok een
woedende menigte op het Sheshi Skenderbej, het grote plein van de
hoofdstad Tirana, de gigantische bronzen Enver Hoxha van zijn
voetstuk. Een van de meest bizarre regimes ter wereld was na 45 jaar
aan zijn eind gekomen.
De bunkers waren het ultieme symbool van Hoxha's vervolgingswaanzin
– een symbool dat niet snel zou verdwijnen. Anders dan de mannen
achter de Berlijnse Muur bouwde de geobsedeerde dictator van Albanië
voor de eeuwigheid. De bunkers toners ook dat Albanië een
superintroverte schurkenstaat was, tamelijk onschadelijk voor de
rest van de wereld, maar heilig ervan overtuigd dat de buitenwereld
een grote bedreiging vormde. Het is gemakkelijk voor te stellen hoe
Enver begin jaren vijftig de eerste van de 700.000 betonnen
paddenstoelen inspecteerde waarmee bet landje uiteindelijk bezaaid
zou raken.
`U bent er zeker van dat het sterk genoeg is om een tankaanval te
weerstaan?' vroeg Hoxha aan de bouwer van het prototype van de
bunker.
`Absoluut,' verklaarde de bunkerontwerper, die snel naar binnen werd
gebonjourd, terwijl Hoxha aangaf dat er een tank naar voren kon
ratelen voor een schot op de schuilplaats. De geschokte ingenieur
kwam ten slotte naar buiten, relatief ongedeerd (lichamelijk
althans), en Hoxha gaf de Albanese betonfabrikanten opdracht de
productie te verhogen. Toen Hoxha in 1985 stierf, was er een bunker
voor elke vier Albanezen. Elk strategisch punt was ermee bezaaid,
van bergpassen tot afgelegen stranden, van havenmondingen tot
aanvliegroutes. Het kostte drie keer zoveel beton als de Fransen
gebruikten voor de bouw van hun al even zinloze Maginotlinie.
De Maginotlinie hield de Duitse invasie van Frankrijk in 1940 niet
tegen, maar Hoxha's bunkers hoefden nooit een aanval te weerstaan.
Waarom zou iemand Albanië binnenvallen? De bunkers staan er nu nog
bijna allemaal. Ze zijn niet eenvoudig te slopen en de Albanezen
moeten er maar mee leren leven. Het is moeilijk om een ander gebruik
voor de lage kleine koepels te, bedenken. Veel bunkers waren maar
kleine gevalletjes, amper groot genoeg voor een paar opeengedrongen
mensen en alleen nog enigszins geschikt als hondenhok. Boeren
gebruiken sommige ervan als stal. De strandbunkers lopen vaak vol
met nat zand, maar de meest gangbare bunkerfunctie is dat ze een
handige plek voor vluggertjes zijn. De Albanese maagdelijkheid
sneuvelt net zo vaak in een Hoxha-bunker als de Amerikaanse ooit
bezweek op de achterbank van een auto.
Het fort van de Balkan
Albanië, geïsoleerd door bergketens die het grootste deal van het land bedekken,
heeft op economisch gebied heil
gevonden in de drooglegging van de uitgestrekte
kustvlaktes die vroeger door malaria werden geteisterd.
Het
kleine Albanië, dat in oppervlakte vergelijkbaar is met België en voor driekwart
uit bergen bestaat, zit vastgeklemd tussen Montenegro, Macedonië en Griekenland
en ligt in het westen van het Balkanschiereiland. De oostelijke grens wordt
gevormd door een krans bergketens. Het sterkste reliëf wordt gevormd door de
noordelijke Alpen, boven de Drin, die doorsneden worden door nauwe valleien en
ijsketeldalen. Deze Alpen lopen over in het centraal massief dat zich tot aan
Osum uitstrekt. Dit massief, dat de hoogste berg van het land (Korab, 2731 m)
omvat, kent een minder onregelmatig landschap en is bezaaid met talrijke
tektonische meren en ertslagen. Met uitzondering van de zuidelijke bergketen,
die zich tot aan de zee uitstrekt, benut Albanië de uitgestrekte kustvlaktes
tussen de steden Shkoder en Vlore. De vlaktes die destijds moerassig waren, zijn
drooggelegd. De belangrijkste, Myzeqe, die begrensd wordt door Peqin, Berat en
de Vjosa, vormt dankzij de veeteelt, de landbouw, de chemische industrie en de
oliewinning het economische centrum van het land. In het zuiden wordt in de
bekkens gerst en maïs verbouwd en op de hooggelegen gebieden vindt men
terrasplantages van sinaasappel- en olijfbomen.
De havens dragen dankzij het
diepe water doelmatig bij aan de ontsluiting van het land.
CIJFERS
Oppervlakte: 28.748 km2 (0,7 x Nederland)
Bevolking: 3,36 miljoen inwoners Bevolkingsdichtheid: 117 inw/km2 /
Stadsbevolking: 36% Plattelandsbevolking: 64%
Hoogste punt: Korab, 2731 m Gemiddelde hoogte: 708 m /
Kusten: 472 km (Adriatische Zee, 4/5; Ionische Zee, 1/5)
KLIMAAT
Middellandse-Zeeklimaat aan kust, koel landklimaat in bergen.
Temperaturen: januari 2-12° C (Tirana), -3 tot 4° C (Korqó); 17-31° C
(Tirana), juli14-27° C Korqó.
Een beschermde identiteit Albanië, eeuwenlang bezet door machtige buurlanden,verwoest door twee
wereldoorlogen en door een totalitair communistisch regime tot een autarkisch
bestaan gedwongen, heeft tot in de jaren '90 zijn identiteit weten te bewaren.
Onder de directe voorouders van de Albanezen maakt de streek door de invloed van
de Griekse beschaving een grote bloei door. Het land dat tot 395 een Romeinse
provincie is, wisselt anarchie of met overheersing door de Bulgaren, de
Byzantijnen, de Serviërs en zelfs de Anjou's. Tot aan zijn dood in 1468 heeft
Skanderbeg de Turkse invasie kunnen vertragen. Albanië moet tot 1913 wachten
voordat het onafhankelijk wordt. Wanneer het land, dat tijdens de Eerste
Wereldoorlog ondanks zijn neutraliteit een slagveld is, onder het gezag van
Ahmet Zog komt, is het volledig doodgeslagen. Na Albanië financieel van zich
afhankelijk te hebben gemaakt, valt Italië in 1939 het land binnen. De door
Hilter-Duitsland toegekende onafhankelijkheid verhindert echter niet de vorming
van een anti-fascistisch comité, geleid door Enver Hoxha. Als sterke man van de
communistische partij wordt hij in 1945 tot president benoemd. Vanaf dat moment
valt de geschiedenis van Albanië samen met die van de enige toegestane partij.
Ramiz Alia, de opvolger van Hoxha, moet in 1990 door de studentenopstand, de
massale uittocht en de internationale druk een meerpartijenstelsel toestaan. Na
het opheffen van de socialistische volksrepubliek wordt in 1992 de democraat
Sali Berisha president van de Albanese republiek. In 1996 was het de Albanezen
gelukt om een economische opleving te bewerkstelligen, die zijnsgelijke in
Europa niet kende. De onlusten van 1997 wierpen het land echter binnen enkele
maanden terug naar het peil van jaren daarvoor. Het bruto nationaal product
daalde naar 670 US$ per hoofd van de bevolking en dat komt ongeveer overeen met
het peil van de Ivoorkust.
BEZIENSWAARDIGHEDEN
Berat, Gjirokaster, Lezhe, Shkoder, Kruje, Koro, de archeologische vindplaatsen
Feniki en Butrinti, de opgravingen in Apollonia, de zuidkust.
De republiek Albanië (officieel: Republika e Shqipërisë,
kortweg Shqiperi) ligt in het zuidoosten van Europa, op de Balkan. De totale
oppervlakte van Albanië is 28.748 km2 en het land is daarmee iets kleiner dan
België en 0,8 keer zo groot als Nederland. De maximale noord-zuidafstand
bedraagt 370 km en de maximale oost-westafstand 170 km. Albanië grenst in het
noorden aan de Servische provincie Kosovo en Montenegro (287 km), in het oosten
aan Macedonië (151 km) en in het zuiden aan Griekenland (282 km). In het westen
grenst het land aan de Adriatische en Ionische zee; de lengte van de totale
kustlijn bedraagt 362 km. De afstand tot de kust van Italië is bij de Straat van
Otranto maar 80 km.
Landschap
Albanië bestaat in feite uit twee delen: het lage kustland en het bergachtige
binnenland. De gemiddelde hoogte ligt op 708 meter boven de zeespiegel en
ongeveer 70% van het Albanese landschap is bergachtig te noemen.
Het kustlandschap bestaat uit een aantal kustvlakten, die door vlakke droge
ruggen van elkaar zijn gescheiden en tot maximaal 60 km landinwaarts reiken;
waar ze tot aan de zee reiken, vormen ze steile, rotsige kusten. De kustvlakten
zijn laag, met her en der meren en moerassen, die overigens voor een groot
gedeelte zijn drooggelegd en geïrrigeerd; de winterregens en het
voorjaarhoogwater van de rivieren veroorzaken er vaak overstromingen.
Meer naar het oosten ligt een heuvelachtige zone, die geen last meer heeft van
overstromingen.
Het oosten van Albanië is woest en moeilijk toegankelijk. In het noorden liggen
de Noord-Albanese Alpen. Hier neemt het met diepe kloven doorsneden kalkgebergte
zelfs hooggebergtevormen aan (Jezerce, 2693 m). De hoogste bergtop is de Korab,
2784 meter hoog, en deze bevindt zich in het Korabitgebergte op het
drielandenpunt met Macedonië en de Servische provincie Kosovo. Voor het overige
bestaat het bergland uit langgerekte ruggen, sterk versneden kleine hoogvlakten
en kleine bekkens. Karstverschijnselen komen ook voor. Rond de Dessaretische
meren in het zuiden ligt de enige grote, voor landbouw geschikte vlakte.
Meren en rivieren
Onbevaarbare rivieren als Drin, Mat, Shkumbî, Seman en Vijosë stromen vanuit het
bergland naar de Adriatische Zee en doorbreken de bergketens in grillige en
woeste dalen. De grootste rivier, de Drin, ontspringt aan het Ohridmeer (dit
gedeelte heet de Zwarte Drin) en in de bergen van Kosovo ( Witte Drin).
De meren liggen allemaal in grensgebieden: in het noorden het Shkodërmeer
(460-510 km2; tevens het grootste meer van het Balkanschiereiland); in het
zuidoosten de Dessaretische groep op de grens met Macedonië en Griekenland: Meer
van Ohrid (270 km2), Prespameer (288 km2) en het kleine Malikmeer, die allen
deels buiten Albanië zelf liggen.
ALGEMEEN
Na de breuk met de Sovjet-Unie (in 1961) en China (in 1978) voorzag het
communistische Albanië in economisch opzicht volledig in eigen behoeften. Door
deze isolationistische politiek raakte de economie echter totaal verouderd. Met
de val van het orthodoxe communisme stortte ook het economische leven in de
jaren 1990-1992 geheel in, onder andere door de grootschalige vernielingen en
plunderingen van veel staatsondernemingen. Albanië werd toen voornamelijk
afhankelijk van noodhulp, buitenlandse leningen en overboekingen van in het
buitenland werkende Albanese gastarbeiders.
Vanaf 1992 werd economische leven snel geprivatiseerd. Zo werd de
collectivisatie van de landbouw ongedaan gemaakt en de grond onder de boeren
verdeeld en kwam er een kleinschalige industrie en dienstverlening op gang. Als
gevolg daarvan steeg in 1994 en 1995 het bnp volgens officiële cijfers met
ongeveer 7%. De economie en het vertrouwen in de bancaire sector kregen als
gevolg van de sociale onlusten in 1997 echter een enorme klap. Dankzij een
macro-economisch stabilisatieproces dat sindsdien samen met IMF is uitgevoerd,
is Albanië weer aardig op de goede weg. Er is nu dan ook weer een verbetering in
de economie van Albanië zichtbaar.
In 2002 was vrijwel het gehele midden- en kleinbedrijf geprivatiseerd.
Naast de legale economische bedrijvigheid werd er ook veel geld verdiend aan de
zwarte handel in mensen, olie, drugs en wapens. Veel geld werd bovendien
geïnvesteerd in de zogenaamde piramidefondsen, die huizenhoge rendementen
beloofden. Toen deze fondsen begin 1997 instortten, viel Albanië ten prooi aan
chaos en anarchie. Hierna kwam het normale economische leven vrijwel volledig
stil kwam te liggen.
Nadat het centrale gezag hersteld was, werd er volop gewerkt aan institutionele
hervormingen die alomtegenwoordige corruptie moesten tegengaan. De economie
kroop langzaam uit het dal: de infrastructuur werd verbeterd, buitenlandse
ondernemingen investeerden in Albanië, veel van de geldzendingen uit het
buitenland werden geïnvesteerd in nieuwe bedrijfjes, en in de periode 1999-2001
groeide het bbp jaarlijks met ca. 7%. Toch is Albanië nog steeds één van de
armste landen van Europa. Het bbp per hoofd van de bevolking bedroeg in 2004
1721 euro.
Veel staatsbedrijven zijn ondertussen geprivatiseerd wat ook geldt voor een
aantal banken. De privatisering van een aantal belangrijke bedrijven (Albanian
National Savings Bank en het telecommunicatiebedrijf) heeft nog wat voeten in de
aarde.
In april 2005 publiceerde een internationale commissie onder leiding van de
Italiaanse oud-premier Amato een rapport over de toekomst van de Westelijke
Balkan. Een van de aanbevelingen van het rapport was dat de landen van de
Westelijke Balkan zo snel mogelijk moeten komen tot regionale economische
integratie (gemeenschappelijke economische ruimte).
Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
Ca. 70% van Albanië is bergachtig en slechts ongeveer een vijfde van het land is
maar geschikt voor landbouw. Toch drijft de economie van Albanië voornamelijk op
landbouw. Meer dan de helft van de Albanese bevolking werkt in de landbouw en
deze bedrijfstak is goed voor meer dan de helft van het bruto nationaal product
(bnp) van het land. De meeste landbouwgrond kwam in 1992 in particuliere handen,
waardoor het inkomen van de landarbeiders steeg. Begin 1996 was de landverdeling
vrijwel afgesloten, maar leidde wel tot een geweldige versnippering van de
grond. Het landbouwareaal beslaat nu ruim 12.000 km2, verdeeld over ca. 400.000
boeren. De opbrengsten stegen sinds de privatisering elk jaar spectaculair.
De veeteelt neemt een steeds grotere plaats in en zorgt nu al voor ca. 50% van
de totale agrarische productie. Het aantal dieren, maar ook de melkproductie per
dier is de laatste tien jaar behoorlijk toegenomen. De totale melkproductie
bedroeg in 2001 955.000 ton, waarvan 84% koeienmelk, 8% schapenmelk en 8%
geitenmelk. Er zijn op dit moment een tiental grote melkfabrieken en enkele
honderden kleine bedrijven die zich vooral met kaasmaken bezighouden. Export van
deze producten zal veel afhangen van een betere hygiëne en kwaliteit.
De bosbouw is belangrijk; sinds 1950 zijn wat dit betreft goede
vervoersmogelijkheden geschapen. Pas in 1973 echter werd een programma voor
herbebossing begonnen om de voortdurende erosie van de bodem tegen te gaan.
De kustvisserij is nauwelijks van betekenis. In Albanië overstijgt de
binnenlandse vraag naar vis het lokale aanbod waardoor grote hoeveelheden moeten
worden geïmporteerd.
Mijnbouw
Albanië beschikt over een behoorlijke hoeveelheid exploiteerbare minerale
reserves. De voornaamste delfstoffen zijn aardolie, aardgas en chroomerts (tot
1980 was Albanië een van de belangrijkste chroomexporteurs ter wereld); verder
worden onder meer koper-, ijzer- en nikkelerts, bauxiet, bruinkool, kalk en zout
gewonnen.
Het belangrijkste olie- en aardgasveld ligt bij Kuçovë, in Centraal-Albanië.
Hier wordt ook een deel van de ruwe olie geraffineerd die daarna via
pijpleidingen naar de havenstad Vlorë vervoerd wordt. Vanaf begin jaren zeventig
werden olie- en gasreserves in de buurt van Patos geëxploiteerd.
Industrie
Ondanks pogingen van de Albanese regeringen om het tij te keren, is Albanië
industrieel gezien een van de minst ontwikkelde landen van Europa gebleven. In
de jarenb negentig van de vorige eeuw trad het verval in, doordat machines, ooit
door de Sovjet-Unie en China geleverd, mankementen begonnen te vertonen die niet
meer te verhelpen waren. Geld en kennis ontbraken om dit probleem op te lossen.
De belangrijkste industriële producten zijn textiel, voedingsmiddelen en
schoeisel. Aardolieraffinage is een groeisector.
In 1994 was ca. 30% van de weinig geschoolde beroepsbevolking in de industrie
werkzaam. Als gevolg hiervan is de kwaliteit van de gemaakte producten vaak van
bedenkelijke kwaliteit. Industriecentra zijn te vinden in en rond Tirana, Durrës
en Shkodër. Het ouderwetse handwerk en kleinbedrijf zijn in het gehele land van
groot belang.
Handel
De buitenlandse handel is kleinschalig vanwege de veelheid aan producten. Met
name textiel, schoenen en brandstof worden, voornamelijk via de zeehavens,
geëxporteerd.
Na de instorting van het communisme raakte Albanië zijn klassieke markten kwijt
(China, Oost-Europa) en moest snel op zoek naar nieuwe handelspartners en op dit
moment zijn Griekenland, Italië, Macedonië en Duitsland de belangrijkste.
Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat voor ca. 97% uit Albanezen (die zichzelf Shqiptarë noemen)
en verder uit Grieken, enige duizenden Slaven (Macedoniërs, Montenegrijnen,
Bulgaren, Serviërs) en Turken, Vlachen (ook wel Aromunen of Balkan-Roemenen
genoemd) Armeniërs en zigeuners.
De etnische Albanezen kunnen onderverdeeld worden in twee groepen, die omstreeks
de 12e eeuw zijn gevormd en ieder hun eigen Albanees dialect spreken. In het
noordoosten van het land wonen ten noorden van de Shkumbin-rivier en in Kosovo
de Ghegen, bergbewoners. Ten zuiden van de Shkumbin wonen de Tosken.
In Albanië zelf wonen 3,54 miljoen mensen (2004); meer dan drie miljoen
Albanezen wonen in het buitenland, van wie 2,5 miljoen in Kosovo, Macedonië en
Montenegro, de rest onder andere in Italië en Griekenland.
De bevolkingsdichtheid bedraagt ca. 129 personen per km2. Het dichtstbevolkt
zijn het heuvelland en de kuststrook, met name de districten Tirana en Vlorë.
Voor de Tweede Wereldoorlog woonden veruit de meeste Albanezen nog op het
platteland. Op dit moment woont meer dan 40% in de stad (Europees gezien erg
weinig) en de trek naar de steden neemt nog steeds toe.
Grootste steden
Tirana 340.000 inwoners /
Durrës 99.000 inwoners /
Elbasan 87.000 inwoners /
Shkodër 82.000 inwoners /
Vlorë 77.000 inwoners
Samenleving / Staatsinrichting
Tussen 1948 en 1991 was de communistische partij - officieel Albanese
Arbeiderspartij (afgekort: PPSh) - de enige leidinggevende politieke macht in
staat en samenleving. In 1991 vonden de eerste vrije verkiezingen plaats na de
val van het communistische bewind.
De één kamer tellende Volksvergadering of ‘Kuvendi Popullor’ telt 140
afgevaardigden, die elke vier jaar gekozen worden; de Volksvergadering kiest het
staatshoofd. Honderd leden van de Volksvergadering worden rechtstreeks gekozen
uit enkelvoudige kiesdistricten en veertig via proportionele representatie. Er
bestaat een algemene kiesplicht vanaf 18 jaar. De president is het staatshoofd
van Albanië, wordt gekozen voor vijf jaar en is eenmaal herkiesbaar. De
president benoemt de premier.
In 1998 kreeg Albanië zijn eerste postcommunistische grondwet, die het parlement
meer bevoegdheden gaf, zoals het benoemen van de ministerraad. Deze grondwet
maakte van Albanië een parlementaire republiek en een eenheidsstaat met
regeringssysteem dat gebaseerd is op scheiding en evenwicht van wetgevende,
uitvoerende en rechterlijke macht.