|
GESCHIEDENIS van de Dolomieten

Gewesten: Trentino, Alto Adige, Veneto. Provincies: Bolzano, Trento en Belluno.

Door de ver in het gebergte doordringende dalen en een dicht wegennet zijn de
Dolomieten zeer goed toegankelijk gemaakt. Naast de grote, bekende
zomervakantieoorden en wintersportplaatsen zoals Cortina d' Ampezzo en San
Martino di Castrozza zijn er vele eenvoudige en kleine plaatsjes waar het
prettig toeven is en tal van meer afgelegen hotelletjes en 'Gasthauser' waarvan
de meeste per auto bereikbaar zijn. De gedeeltelijk nog goed berijdbare wegen,
die in de Eerste Wereldoorlog werden aangelegd, bieden ook de niet-bergbeklimmers
de unieke mogelijkheid om zonder veel moeite uitzichtpunten te bereiken.
Bovendien wordt het hooggebergte steeds meer door de aanleg van kabelbanen,
skiliften enz. toegankelijk gemaakt.
Het mooiste voorbeeld van een typisch Dolomietenlandschap zijn de alpenweiden
van de Alpe di Siusi (Seiser Alm; 1826-2070 m) op de vruchtbare, met kalk
vermengde vulkanische tufsteen. Hierbovenuit rijzen, in een fascinerend contrast
met dit heuvelland, witte of gelige kalkwanden, gigantische rotsmassieven,
torens en rotsnaalden. Zonder twijfel een van de merkwaardigste en mooiste
Alpenlandschappen .
Bekend zijn de Dolomieten om het stralend rode Alpenglühen waarmee de
ondergaande zon hier de Alpen belicht. Het eigenlijke 'Alpenglühen' waarbij
rotsen en sneeuwvelden in gele, purper en paarsrode tinten als van gloeiend
ijzer, in lichterlaaie staan, komt slechts zelden en alleen tussen 5 tot 10
minuten na zonsondergang bij een lichte nevelvorming in het westen voor, wanneer
het in de dalen reeds schemert.
FLORA.De natuurlijke flora van de Dolomieten heeft een alpien karakter. De
dalen en de minder steile hellingen zijn grotendeels met akkers en weilanden
bedekt. De steilere bergflanken, tot 2200 m hoog, zijn veelal met naaldbomen
begroeid, in het zuidelijk deel van de Dolomieten ook met loofwoud. Daarboven
spreiden zich alpenweiden en hun kleurrijke tapijt van alpenbloemen uit.
BEVOLKING. In het dal van de Isarco met zijn zijdalen alsook in het Val Pusteria
leven sinds de 6de eeuw Duitstalige Beieren. In diezelfde tijd drongen vanuit
het zuiden Italianen binnen. De Romaans sprekende Rhetiërs, tegenwoordig Ladinen
geheten, trokken zich in de meest afgelegen dalen van de Dolomieten terug, en in
feite bevolken zij nog slechts het Val Gardena (Grödnertal), het Val Sadia (Gadertal)
en het Val Fassa (Fassatal), in totaal ca. 25.000 mensen. Deze Ladinen zijn
bekend om hun fraai houtsnijwerk (vooral in het Val Gardena). Naast
houtindustrie en veeteelt is het vreemdelingenverkeer de belangrijkste bron van
inkomsten.
AUTOTOCHTEN. De bekendste route voert door het noordelijk deel van de Dolomieten
vanaf Bolzano over de schitterende 'Dolomietenweg over de Passo di Costalunga (Karerpas)
en verder over de Falzaregopas naar Cortina d'Ampezzo (109 km). Van hier verder
langs het 'Lago di Misurina naar Carbonin (Schluderbach) en Dobbiaco (Toblach;
34 km), vervolgens door het Val Pusteria (Pustertal) met 'Abstecher' naar het
Lago di Braies (Pragser Wildsee), naar Brunico (Bruneck) en Bressanone (Brixen);
door het dal van de Isarco terug naar Bolzano. Heeft men tijd over, dan zal men
ook de volgende tocht willen maken: vanaf de linkerkant van de Pordoipas over de
schitterende Sellapas en de Gardenapas (Grödner Joch) afdalen naar het
schilderachtige dal van Corvara en vervolgens over de Campolongopas naar Arabba
aan de Dolomietenweg (21 km.) Een 26 km lange omweg die zeer de moeite waard is
voert van Brunico door het Val Badia naar Corvara (36 km), vervolgens over de
Gardenapas en door het 'Gardenadal naar Ponte Gardena (Waidbruck, 42 km); van
hier terug door het dal van de Isarco naar Bolzano (23 km).
Door het zuidelijk deel van de Dolomieten voert een eveneens schitterende weg
van Bolzano door het dal van de Tsarco en dat van de Gardena, over de Sellapas
naar de Dolomietenweg en over deze weg naar Cortina d'Ampezzo (114 km); van hier
naar Venas en over de Cibianapas naar het Zoldodal of over de Duranpas naar
Agordo (70 km); vervolgens over de Ceredapas naar Fiera di Primiero (32 km),
verder naar San Martino di Castrozza en over de Rollepas naar Predazzo. Van hier
hetzij door het Val di Fiemme (Fleimser Tal) naar Ora (Auer) of naar Vigo di
Fassa en over de Dolomietenweg over de Costalingapas (Karerpas) terug naar
Bolzano (97 km). Laatstgenoemde weg is de mooiste.

DOLOMIETEN 2
Wanneer men over de Brennerpas Italië binnentrekt, zal aanvankelijk niemand
verschillen bespeuren met het Alpenlandschap aan de noordzijde van de grens. De
rit gaat langs een snelstromend riviertje, de Isarco door een nu een nauw, dan
weer breed dal.
Ook de dorpen blijven er Oostenrijks uitzien en de bevolking spreekt hetzelfde
Tirools-Duitse dialect als boven de grens. We zijn hier nl. in Zuid - Tirol, dat
pas sinds 1918 tot Italië behoort, een gebied dat ongeveer samenvalt met de
huidige provincie Bolzano.
Vanaf het bekken van Bressanone wordt de plantengroei weelderiger, verschijnen
overal boomgaarden en op de terrashellingen ziet men de wijnstok, de
eerste voorboden dus van het zonnige zuiden.
Maar ook dat heeft eigenlijk nog weinig spectaculairs.
Enige tijd later ontwaart men links vrij plotseling als in een flits een
reusachtig, weerbarstig rotsmassief, dat de hemel schijnt te doorklieven.
Is eenmaal het brede dalbekken van Bolzano bereikt, dan ontdekt men, dat hoog
boven de oostelijke bergcoulissen uit, twee van deze grillige, haast dreigende
rotskolossen omhoog te torenen. Zo hebben ontelbaren van verre de eerste
indrukken opgedaan van die wondere bergwereld der Dolomieten en gefascineerd hun
schreden naar het oosten gericht.
Als diepe voren bakenen een vijftal rivierdalen dit machtige berggebied af, de
dalen van Isarco en Adige in het westen, van de Rienza in het noorden, van de
Piave in het oosten en van de Brenta in het zuiden. Door vele van hun zijdalen
lopen wegen meer of minder diep de Dolomieten in.
Zo gaat bij Bolzano door het Valle d' Ega -een kloofachtig zijdalletje van het
Isarco-dal- een weg omhoog, de Grande Strada delle Dolomiti, die nog steeds
bekend staat onder de Duitse naam Dolomitenstrasse. Hij werd nl. voor
strategische doeleinden dwars door de centrale Dolomieten aangelegd door
Oostenrijkse wegenbouwers, die daarmee een prestatie van de eerste rang
leverden. Deze route - van Bolzano tot Cortina d' Ampezzo (110 km) - vindt wat
landschapsschoon betreft nauwelijks zijn weerga. Drie passen -van west naar
oost resp. de Costalunga-pas (1.745 m), Pordoi-pas (2.239 m) en de Falzarego-pas
(2.105 m) - overschrijdt hij en verschillende prachtige, hoge dalgedeelten worden
erdoor ontsloten.
Wat maakt het kenmerkende uit van dit Alpengedeelte? De franse geoloog Dolomieu
(1750-1801), de naamgever van de Dolomiten, wees op de bijzondere samenstelling
van het rotsgesteente: een magnesiumhoudende kalksteen (sedertdien
Dolomiet - gesteente genaamd) en op de merkwaardige oorsprong van dit bergland.
Maar ook de geologische niet-deskundige toerist beseft hier tegenover iets
bijzonders te staan en komt onder de indruk van dit fascinerend schouwspel, van
deze grillige, scherpgetande, kolossale rotsmassieven, die aan alle zijden om
hem heen ten hemel rijzen.
Komt men dichterbij, dan ziet men dat het gesteente gekloofd is in de meest
wonderlijk vormen: spitse pieken, plompe rotstorens, ongenaakbare, gekartelde
muren, scheuren en spleten overal. Daarbij komt dan nog de scala van kleuren van
dit gesteente: meest in alle tinten rood, maar ook vaak muis- of donkergrijs en
soms okergeel of felgroen.
Donkere banden van vulkanische tufsteen of ijzerhoudende aders lopen over grote
afstanden horizontaal langs de rotswanden en vaak zijn hier en daar hele richels
of zelfs kleine terrassen uitgesleten, waarop uitgeloogd steenpuin is
neergestort, uit de verte gelijkend op sneeuwranden.
Ook aan de voet van sommige massieven liggen vaak zacht glooiende puinhopen
bestaande uit zowel steenblokken als het fijnste gruis.

Steeds weer veranderen deze rotsmassieven van aspect, vooral door de wisselende
belichting. Wolkenschaduwen, die langs de wanden glijden; de zon die het
gesteente in een haast verblindend licht zet; de weerschijn van morgen- en
avondrood: het beroemde "Alpenglühen", dat de toppen soms tot ver na
zonsondergang bloedrood verft; de nevel die sluiers langs de rotsflanken legt;
de vochtigheid van het gesteente 's ochtendsvroeg waardoor de kleuren nog
duidelijker spreken: altijd opnieuw blijft ons oog geboeid.
Hoog in dit gebergte, ook bijvoorbeeld bij verschillende passen, kunnen de
chaotische, kale steenmassa's - waartussen geen plaats is voor een fleurig
plantenkleed of grastapijt en waar ook de levenbrengende waterstroompjes
zeldzaam zijn - menigeen wel eens al te bar en ongenaakbaar voorkomen.
Maar in de meeste grote Dolomiten - dalen wordt deze indruk verzacht doordat de
dalhellingen waarboven de steile rotsmassieven zich verheffen, gestoffeerd zijn
met frisgroene, bloemenrijke weiden en donkere naaldbossen, terwijl langs het
levendig voortstromende riviertje in het dal zich vaak kleurige, vrolijk
aandoende dorpen hebben genesteld.
De grote dalen van de Centrale Dolomiten kennen ieder hun eigen schoonheden,
maar het Val Gardena staat wat schilderachtigheid betreft toch wel aan de
spits. Zuidelijk boven het Val Gardena en boven het dal van de Isarco ligt de
Alpe di Suisi, de grootste alpenweide van Europa, aan drie zijden omgeven door
trotse bergmassieven.
Nu heel even een heel andere kant op; naar het noordoosten: daar is het Lago di
Braies een juweeltje van schoonheid zoals het er ligt tussen grandioze
berghellingen aan het eind van een zijdalletje van het schilderachtige Val
Pusteria.
Andere meertjes, die we in het noordoostelijk deel van de Dolomiten moeten
noemen om hun natuurschoon zijn het Lago di Landro, ten noorden van Carbonin in
het Val di Landro en het welbekende Lago di Misurina, oostelijk van Cortina
d' Ampezzo.
Een eigenaardige berggroep daar dichtbij vormen de Tre Cime di Lavaredo, drie
geweldige rotstorens.
Cortina d' Ampezzo kent natuurlijk iedereen als het toeristencentrum van de
Dolomieten. Het is zeer de moeite waard om hier met een bergbaan even omhoog te
gaan naar Faloria (2.340 m), een van de mooiste uitzichtpunten van de Dolomieten.
We zijn nu niet ver meer van Cadore, het prachtige oostelijk deel van dit
bergland, rondom het bovendal van de Piave. Het begint terecht ook bij de niet-
Italianen steeds meer in trek te komen.
Tenslotte mag in de zuidelijke Dolomieten de omgeving van San Martino di
Castrozza in het Cismondal, aan de voet van de Pala-groep niet onvermeld
blijven. Van hier en van de Rolle-pas (1.970 m) heeft men een bijzonder
indrukwekkend uitzicht op dit formidabele Dolomietenmassief.
De taal, de Provincies en Südtirol
Vooral tijdens de fascistische periode tussen beide wereldoorlogen probeerde de
Italiaanse regering met alle mogelijke middelen een zuiver Italiaans stempel op
Südtirol te drukken. Het gebruik van Duitse namen werd verboden, op scholen werd
alleen in het Italiaans onderwijs gegeven, historische herinneringen aan de band
met Oostenrijk werden zoveel mogelijk uitgewist en er kwam een algeheel verbod
voor het gebruik van de naam Südtirol. Tevens vond immigratie van Italianen op
grote schaal plaats. In 1939 leek het lot van Südtirol bezegeld. Hitler en
Mussolini kwamen toen overeen dat de Duitstalige Südtirolers naar berggebieden
in het Duitse Rijk moesten emigreren. Door de Tweede Wereldoorlog is hier
gelukkig weinig van terecht gekomen. Na afloop van de oorlog moest op wens van
de Geallieerden de nieuwe democratische Italiaanse regering aan Südtirol een
zekere mate van autonomie verlenen binnen het Italiaanse staatsverband en werden
de rechten op het gebruik van de Duitse taal weer volledig erkend (onderwijs,
namen, opschriften, aankondigingen naast het Italiaans ook weer in het Duits).
Toch bleef er onder de Südtirolers ontevredenheid bestaan. De autonomie was in
hun ogen meer schijn dan werkelijkheid, want de Duitstalige provincie Bolzano
(Bozen) werd met de naar inwonertal veel grotere Italiaans sprekende provincie
Trento samengevoegd tot het autonome gebied Trentino - AIto Adige (Trento-Tiroler
Etschiand) met als hoofdstad het Italiaanse Trento. De onvrede uitte zich in de
jaren '60 in een serie bomaanslagen, waarop de Italiaanse overheid met scherpe
repressieve maatregelen reageerde. Na een reeks onderhandelingen kwam in 1969
een akkoord tussen Oostenrijk en Italië tot stand, waarbij Südtirol een aparte
autonome provincie (prov. Bolzano / Bozen) werd met bijzondere (voornamelijk
culturele) faciliteiten. Toch gaat de Italianisering van Südtirol nog steeds
door en wel vooral door de van staatswege gestimuleerde industrievestiging in
een stad als Bolzano, waardoor zich daar grote aantallen Italianen vestigden
(enkele cijfers: in 1910 bestond de bevolking van Bolzano voor 18% uit
Italianen, in 1939 voor bijna 60%, in 1970 voor ongeveer 75%). Ook de
belangrijke functies bij de provinciale overheid, openbare diensten en in
mindere mate handel en verkeer zijn overwegend in Italiaanse handen. De
plattelandsbevolking is echter nog vrijwel geheel Südtirols en ook in de stadjes
en grotere plaatsen wordt nog in meerderheid Duits gesproken.
De taalgrens tussen Duits en Italiaans komt ongeveer overeen
met de zuid- en westgrens van de provincie Bolzano (die dus Südtirol omvat).
Naast het Duits en het Italiaans wordt er in de Dolomieten nog een derde taal
gesproken: het Ladinisch. Het Ladinisch is een samensmelting van het
voorhistorische Rhetisch met het Latijn. De taal heeft zich door de eeuwen heen
kunnen handhaven in enkele geïsoleerd gelegen streken en dalen: in het Zwitserse
Graubünden (voornamelijk in het Engadin en daar spreekt men van Rhetoromaans),
en in de Dolomieten in het Val Gardena, Val di Fassa, Val Badia en de
Livinallongo. Men schat het aantal Ladiniërs op 4,3 % van de bevolking van de
provincie Bolzano (totaal circa 40.000). Er zijn enkele Ladinische kranten,
culturele instellingen en een radiostation in Bolzano zendt dagelijks in het
Ladinisch uit.
Dolomieten en Gardemeer
Geschiedenis
In voorhistorische tijden woonden in Noord-Italië verschillende volkeren. Het
oudste volk vormden de Liguriërs, voornamelijk wonend langs de westelijke golf
van de Middellandse Zee. Van Etruskische oorsprong zijn de paalwoningen die men
heeft gevonden aan de oever van het Ledromeer. Uit dezelfde tijd (circa 2000-200
v. Chr. het Bronzen en IJzeren Tijdperk) stammen de vrij recent ontdekte,
schitterende rotsgraveringen in het nationale park van Capo di Ponte (Valle
Camonica). De door gletsjers gladgeslepen rotsen in dat park zijn bedekt met
honderden voorstellingen. Deze figuren en symbolen zijn ingekrast door de
Camunen, een Rhetische stam. 'Rhetiërs' noemden de Romeinen de volken en stammen
die de Alpendalen bewoonden. Door de eeuwen heen heeft dit Rhetische of
Ladinische volk zich gehandhaafd en leeft nu nog in enkele Dolomietendalen zoals
in Val Gardena en Val Badia. In taal (het Ladinisch, een samensmelting van het
Latijn en het Rhetisch) en volksaard zijn zij verwant aan de Rhetoromanen in
Graubünden (Zwitserland). Omstreeks 400 v. Chr. drongen Kelten, die
oorspronkelijk in Zuid - Duitsland en Oost - Frankrijk woonden, Noord - Italië binnen,
maar het Dolomietengebied bleef grotendeels buiten hun invloedsfeer.

De Romeinen en de Oost-Goten
Met de overheersing door de Romeinen begint de staatkundige geschiedenis van
Noord - Italië. Vanaf de 2e eeuw v. Chr. breidde Rome zijn gezag uit over het
Alpengebied en kwam de bevolking in contact met de Italiaans - Latijnse cultuur;
de Romeinse lyricus Catullus werd te Verona geboren in 84 v. Chr. De Romeinen
bouwden wegen en bolwerken om tochten naar het noorden mogelijk te maken. De
Brennerpas was reeds in die dagen een belangrijke noord-zuidverbinding met
Trento als sleutelpositie en Verona als belangrijke nederzetting. Als onderdeel
van het Romeinse Rijk beleefde Noord - Italië de ontzaglijke bloei en het daarop
volgende verval van dit wereldrijk. Tijdens deze vervalperiode begonnen de
invallen van de Germaanse stammen (volksverhuizing). De Germaan Odoaker
onttroonde de laatste West - Romeinse keizer (476) en volgde hem op. In 489 echter
volgde een tweede belangrijke invasie: de Oost - Goten onder Theodorik de Grote
overwonnen Odoaker en het Oost - Gotische rijk omvatte het gebied rond de
Adriatische Zee, onder andere dus Italië. Tegelijkertijd drongen de Bajuwaren
(Beieren) vanuit het noorden binnen tot ongeveer de hoogte van Bolzano. Zij
brachten er een Duitssprekende bevolking. Theodorik onderwierp het
Dolomietengebied en zetelde onder andere te Verona. De bevolking moest zich
schikken in deze vreemde overheersing maar deed geen afstand van taal en
godsdienst, zodat de opzet van Theodorik, een rijk van Goten en Romeinen te
maken, mislukte.
De Longobarden en de Franken
In 553 ging het Oost - Gotische rijk ten onder en kwam het Oost-Romeinse
(Byzantijnse) rijk aan de macht. Maar al in 568 drongen de Germaanse Longobarden
(of Lombarden) vanuit het noordoosten Italië binnen. Het Dolomietengebied werd
door de Longobarden onderworpen en binnen korte tijd beheersten zij grote delen
van Italië. Toen Ravenna bovendien veroverd werd en ook Rome in gevaar kwam,
riep de paus de hulp in van de Frankenkoning Pepijn de Korte. Hij drong de
Longobarden terug, maar pas definitief werd het Longobarden - rijk vernietigd door
zijn zoon Karel de Grote, die Noord en Midden - Italië inlijfde bij het grote
Frankische rijk. Venetië bleef aan het Oost - Romeinse rijk toebehoren tot 811,
toen de onafhankelijke staat Venetië, die bijna 1000 jaren zou bestaan, gesticht
werd.
In 800 werd Karel de Grote tot keizer gekroond te Rome. Met de oorspronkelijke
Italiaanse bevolking waren ook de Longobarden reeds tot het christendom
overgegaan. In het nu volgende feodale tijdperk van de Middeleeuwen veranderde
de politieke kaart van (Noord-) Italië onophoudelijk. De Franken voerden hun
regeringsstelsel in, waarbij graafschappen als Verona en Trento werden gevormd.
Maar bij de ontbinding van het Frankische (of Karolingische) rijk in de 9e eeuw,
kregen de plaatselijke vorsten steeds meer macht en bestreden elkaar
voortdurend.
Het Heilige Roomse Rijk
In 951 trok de machtige Duitse koning Otto de Grote met zijn leger over de
Alpen, onderwierp Noord - Italië en voegde de graafschappen bij het hertogdom
Beieren. In 962 liet hij zich te Rome tot keizer kronen van het Heilige Roomse
Rijk der Duitse Natie, in navolging van Karel de Grote.
De Duitse overheersing bracht niet een eind aan de Italiaanse anarchie en
voortdurend betwistten de Duitse keizers en de pausen elkaar de macht. De
geestelijkheid breidde haar macht in het Dolomietengebied steeds meer uit. Van
het klooster Saben bij Klausen (Chiusa) ging grote politieke en culturele
invloed uit. Later namen de bisdommen Brixen (Bressanone) en Trento (1027) deze
macht over. Het wereldlijk bestuur in deze bisdommen was vaak in handen van
Beierse adel. Het strategisch belangrijke Trento was lange tijd twistpunt tussen
de geestelijkheid en de adel. De Brennerpas bleef namelijk een zeer belangrijke
noord-zuidverbinding. Handelslieden en kruisvaarders trokken langs de
Dolomieten op weg naar Venetië, dat door de handel tussen oost en west steeds
aan belangrijkheid toenam. Ook andere steden ontwikkelden zich tot zelfstandige
republieken met eigen bestuur.
De Scaligers
Na de ineenstorting van de Duitse keizerlijke macht (circa 1250) kwam in vele
steden het stadsbestuur in handen van Italiaanse adellijke families, zoals het
geslacht Scaliger te Verona. De tirannieke en machtswellustige Scaligers
vergrootten hun gebied tot aan het Gardameer, waar zij vele burchten bouwden,
zoals bijvoorbeeld te Sirmione. In hun hang naar roem en eer omgaven ze zich met
begaafde kunstenaars en geleerden. Zo werkte aan het hof te Verona de dichter
Dante (1265-1321), de schepper van de Italiaanse schrijftaal. Ook de dichter
Petrarca woonde bij de Noord -Italiaanse vorsten.
Tirol en Venetië
Schloss Tirol bij Merano was de stamburcht van de graven van Tirol, die na veel
strijd ten koste van de bisdommen Trento en Brixen (Bressanone) hun gebied
uitbreidden. De naam Tirol werd gebruikt voor het gehele gebied ten noorden en
ten zuiden van de Brennerpas, waarbij het bisdom Trento geheel zijn wereldlijke
macht verloor en het bisdom Brixen slechts de omgeving van Brixen en een
centraal deel van de Dolomieten besloeg. Geheel Tirol viel na de dood van de
laatste gravin in 1363 als erfenis toe aan de Oostenrijkse Habsburgers. Deze
situatie zou voortduren tot het eind van de Oostenrijks - Hongaarse monarchie in
1918. Tezelfdertijd (14e en 15e eeuw) breidde de republiek Venetië gestadig haar
macht uit.
Tegen het eind van de 14e eeuw, op het hoogtepunt van roem en rijkdom, werd
Verona aan de republiek toegevoegd. In 1420 werd het gebied nogmaals uitgebreid
met de Cadore, Cortina d' Ampezzo en het dal van de Piave en grensde de
republiek
direct aan het Habsburgse Tirol. Bij een conflict in 1511 tussen Venetië en
keizer Maximiliaan I werd Cortina d' Ampezzo toegevoegd aan Tirol. In de tweede
helft van de 15e eeuw begon Venetiës macht te tanen, maar het bleef wel een
zelfstandige staat. De buitenlandse inmenging in Italië door Spanje, Frankrijk
en Oostenrijk in de 16e-18e eeuw had niet veel invloed op de politieke status
van Tirol en Venetië. Tirol bleef Oostenrijks bezit en Venetië handhaafde zijn
onafhankelijkheid. In 1797 echter trok Napoleon Italië binnen en bezette het
gehele land. Noord - Italië werd het strijdtoneel tussen Frankrijk en Oostenrijk.
De Fransen werden uit Italië verjaagd en tot de vrede van Campo Formio
gedwongen, waarbij Venetië aan Oostenrijk werd toegewezen. Dit betekende het
einde van de republiek Venetië; de aristocratische regeringsvorm werd door het
Oostenrijkse bestuur vervangen.
Andreas Hofer
De Sandwirt (of Sandhof, want Andreas wordt ook wel de 'Sandwirt' genoemd) was
van oudsher bezit van de Passeier familie Hofer. Hier werd Andreas geboren, die
later als waard, vee- en wijnhandelaar veel onder de mensen kwam, het land
rondreisde en goede betrekkingen onderhield met aartshertog Johann. In januari
1809 werd hij met enkele gelijkgezinden ontboden te Wenen om de opstand te
bespreken. In april van dat jaar trok hij met de 'Passeier Schützen' over
de Jaufenpas en veroverde Sterzing op de Beieren. Alle 'Schützen' verenigde hij
op het Berginsel bij Innsbruck, waar hij als legeraanvoerder de slag won. Op 4
oktober werd hem de gouden ereketting om de schouders gehangen die hij gekregen
had van keizer Franz. Tien dagen later sloot Oostenrijk met Napoleon vrede,
waarbij Tirol in drie stukken werd opgedeeld. Op slecht advies van pater Joachim
Haspinger, zoon van een boerengeslacht uit het Csieser Tal, ondernam Hofer in
paniek een tweede veldslag op het Berginsel, die hij in slechts twee uur verloor.
Andreas moest vluchten en er werd een premie op zijn hoofd gezet. Hij verborg
zich op de hooggelegen Pfandleralm in zijn eigen Passeier Tal. Zijn schuilplaats
werd door een hebzuchtige plaatsgenoot verraden. Napoleon gaf opdracht hem na
een formele krijgsraad standrechtelijk te executeren. Zijn gebeente rust nu in
de Hofkirche te Innsbruck.

Cavour en Garibaldi
In de eerste helft van de 19e eeuw bleef het Oostenrijkse bestuur in Italië
ongemoeid. Na 1848 kreeg het Italiaanse onafhankelijkheidsgevoel promotors in
Cavour en Garibaldi, die elk op hun eigen wijze de strijd voerden. In 1861 werd
het doel verwezenlijkt: onder Victor Emmanuel II werd Italië een koninkrijk.
Venetië en Trentino bleven nog onder Oostenrijks bestuur, maar na de oorlog van
Pruisen - Italië tegen Oostenrijk kwam Venetië in 1866 bij Italië. Nadat in 1870
Rome de hoofdstad was geworden, nam de politieke macht van Italië toe. In 1914
brak de Eerste Wereldoorlog uit. Er werd hevig gestreden in het
Dolomieten - gebied, waar dwars doorheen van Sesto tot Moéna de frontlijn lag. Dit
bloedige conflict, hoog in de bergen uitgevochten, heeft diepe wonden nagelaten
bij de bevolking en in het landschap. In de strenge winter van 1916, toen er
tien meter sneeuw was gevallen, verloren 10.000 man het leven bij lawines.
Loopgraven en observatieposten (slechts op gehoor en oogafstand van elkaar),
tunnels en galerijen, en de aanleg van bergpaden en paswegen veranderden
definitief het landschap. De paswegen dienen nu een vreedzaam doel: zij zijn de
slagaders geworden van het toeristenverkeer. In 1918 werden de Oostenrijkers bij
Vittorio Veneto verslagen. Bij de vrede van St. Germain (1919) moest Oostenrijk
niet alleen zijn Italiaans sprekende gebieden aan Italië afstaan, maar ook
Südtirol. De nieuwe grenslijn werd getrokken over de lijn Resiapas - Brennerpas
-San Candido - Sillian.
Geen winnaars, alleen verliezers
De Eerste Wereldoorlog heeft in de Dolomieten geen overwinnaars opgeleverd. Na
de aan de tafel tot stand gekomen wapenstilstand waren er aan het front in de
bergen alleen verliezers. Tragische menselijke gebeurtenissen zijn nog levend in
de herinnering van de Dolomietenbewoners en de bergwereld toont nog steeds de
littekens van de wonden die zijn geslagen.
Sentiero della Pace
De top van de Piccolo Lagazuoi werd twee jaar lang verdedigd door de
Oostenrijkers. Door het opblazen van delen van bergen probeerde men elkaars
posities te verslechteren. De Italianen groeven zes maanden lang een 1100 m
lange tunnel in de berg om die met 33.000 kilo aan explosieven op te blazen. De
Oostenrijkers hadden het graafwerk gehoord en hadden zich bijtijds
teruggetrokken. De Oostenrijkers op hun beurt bliezen vier keer delen van de
berg op. Als u nu op de Passo Falzarego staat, ziet u onder de huidige top van
de Piccolo Lagazuoi rechts de steenhoop van de Italiaanse en links de grotere
steenhoop van de Oostenrijkse verwoestende ontploffingen. Nog altijd vindt u
daar in de frontlijn hoog in de bergen de getuigen van die vreselijke oorlog in
de vorm van loopgraven, tunnels (in sommige gevallen nu een toeristische
attractie), prikkeldraad, delen van schoenen en uniformen, en houten palen en
bakstenen voor de bouw van onderkomens voor de manschappen. Nu loopt langs deze
frontlijn het 'pad der vrede', het 'Sentiero della Pace'. In de stad Rovereto, gelegen ten zuiden van Trento, slaat nog
steeds elke avond de 'Campana dei Caduti' honderd maal voor de gevallenen aan
beide zijden.
Dolomieten Folklore
Juist in sommige afgelegen bergdalen, met bewoners die graag aan het eigene
blijven vasthouden, bleef de folklore een rol spelen. In
dit deel van Italië komt daar nog bij het verschil in volksstam: Ladiniërs en
Südtirolers streven uit zelfstandigheidgevoel naar behoud van eigen aard en
identiteit, die immers mede tot uitdrukking komt in gebruiken en
levensgewoonten. Nu voorts blijkt dat de folklore (klederdrachten, typische
gebruiken, feesten, volksdansen en bepaalde handwerken) een goede toeristische
attractie vormt, is zelfs sprake van enige folkloristische opleving, al heeft
dat dan weinig spontaans. Klederdrachten worden nog het meest gedragen in het
door Ladiniërs bewoonde Val Gardena, maar ook in het Val di Fassa in het
Italiaanse taalgebied van de Dolomieten treft men onder het oorspronkelijk
Ladinische bevolkingsdeel nog de kleurige dracht aan, vooral rond Vigo di Fassa.
Over het algemeen zijn het echter speciaal of alleen de vrouwen die deze
drachten nog gebruiken en dan meestal ook niet meer in het dagelijks werk, maar
op zondag, kerkelijke hoogtijdagen en andere feestdagen of feestavondjes. Dit
geldt ook voor het boven het Isarcodal aan de rand van de bekende Alpi di Siusi
(Seiser Alm) gelegen Castelrotto, waar vooral bij processies nog klederdrachten
in zwang zijn, en voor het Val Sarentina (Sarntal) ten noorden van Bolzano. In
het Italiaanse deel van het gebied ziet men in het Val Comelico de zogenaamde
Cadorinische klederdrachten.
In het dal van de Isarco, het Val Pusteria en misschien nog enkele andere
Südtirolse dalen ziet men bij feesten nog wel eens klederdrachten, maar men
krijgt daar zeer sterk de indruk dat een en ander voornamelijk voor toeristen
georganiseerd wordt (folkloristische optochten, Tiroler volksdansavonden,
muziekkapel in klederdracht). Komt men er namelijk in de stille tijden van het
jaar, dan zal men weinig of niets van enige folklore bemerken.

|